De onmetelijke liefde voor het gras

Cricket Utrechtse sportverenigingen Robert Jan van der Horst

De kampioen is bekend. Het seizoen ten einde. Niet echter voor de grasmeesters van Kampong Cricket. Juist nu beginnen voor hen de voorbereidingen voor weer een nieuwe jaargang. ‘Je zou kunnen zeggen dat we de graswickets vanaf september, na de nodige bewerkingen stilaan naar bed brengen.’

Peter Cantrell, Kees Joor en Reinier Poort zijn de drie meest prominenten uit een pool van negen vrijwillige groundsmen waaruit Kampong Cricket kan putten. De één doet wat meer dan de ander. Maar allen hebben één ding gemeen: de liefde voor gras, mondiaal gezien dé standaard.

Joor heeft een hoveniersbedrijf en woont in Biddinghuizen. Hij deed onder meer ervaring op als groundsman van een golfclub. De in Australië geboren Cantrell speelde jaren voor Kampong in – toen nog – de Hoofdklasse en werd in 1988 en 1989 landskampioen met de Utrechters. Hij volgde cursussen in Down Under en Nederland en is golfprof op de nabij gelegen Golfclub Amelisweerd. Poort is op papier Coördinator Grasswicket. ‘Maar ik heb net een nieuwe baan gekregen en niet zoveel tijd meer. Zeg maar dat ik ervoor zorg dat de spullen er zijn.’

Zinnenprikkelend is hun werk. Niet alleen leggen ze in het najaar de accommodatie te ruste, ze ruiken het zelfs als er regen in de lucht hangt. Zoals op deze vrijdag. ‘Het rook eerder vanmiddag wat zoetig. Dan kun je de klok erop gelijk zetten dat het gaat regenen. Belangrijke informatie voor ons.’

Onder de luifel van het clubhuis, waarop de druppels hemelwater genoeglijk op de overkapping van het terras tikken, gaat het niet alleen over de technische kant van het werk dat een heuse academische opleiding lijkt te vereisen. Het gaat ook niet alleen over de optimale zuurgraad van de grond (ph-waarde 5,7 tot 6), dat de beste kunstmest 27% stikstof moet bevatten (niet geschikt voor uw tuin) en de ideale maaimachine tenminste acht bladen moet hebben. ‘We nemen ook regelmatig grondmonsters.’

Ze willen zich ook niet meten met de grote Engelse profclubs, want die hebben 4 of 5 groundsmen in vaste dienst. Maar het trio heeft desondanks z’n ambities. ‘We gaan voor de A-status,’ zegt Poort onvervaard. ‘Dan moeten we hier een tribune neerzetten en misschien SkySports wel televisietorens om de internationale wedstrijden uit te zenden,’ droomt hij hardop. De hoogste waardering van de internationale Cricket Bond, International Cricket Council , zou Nederland én Kampong wereldwijd op de kaart zetten. Maar helaas, zo goed als het veld van VRA – gelegen in het Amsterdamse bos – is dat van Kampong niet.

Nog niet, vullen ze aan. Die verdomde drainage ook. Eén van de pijpen is kapot waardoor na een buitje de regen blijft staan. Poort: ‘Een Engelse groundsman die dat vanuit het clubhuis ziet, komt niet eens naar buiten om het veld te keuren. Laat staan om het goed te keuren.’

Het is een verhaal van botsende belangen. De square met daarbinnen de graswickets of pitches worden onderhouden door Kampong Cricket. Maar het outfield, dat vele meters van twee naast elkaar gelegen voetbalvelden overlapt, is de verantwoording van de gemeente. En aangezien het repareren, dan wel vervangen, van de drainage ten koste gaat van de voetbalvelden, is er van die A-status voorlopig geen sprake.

Zo hebben club en lokale overheid eveneens geen parallelle belangen waar het de beregening, het sproeien, van de velden betreft. ‘We werken overigens prima samen, maar we zouden graag meer zeggenschap over het onderhoud van de cricketvelden willen hebben.’ Het klinkt als de Dolle Mina’s van de jaren zeventig die baas in eigen buik wilden zijn.

In het voorjaar ontwaken de velden. Met machines worden de topjes van het gras gehaald, met zogenoemde papegaaienbekjes al het dode gras verwijderd. In essentie omvat het werk: rollen, maaien (Cantrell: ‘Vorig jaar konden we dat in december nog doen’), zaaien (al dan niet diagonaal), sproeien, prikken en bemesten.

Een ideale zomer is droog, met temperaturen boven de 20 graden en veel wind. Die omstandigheden dwingen de wortels in de breedte te groeien waardoor de kwaliteit van het gras beter wordt vanwege een hogere ‘grasdichtheid’. En een ideale winter? ‘Een flinke, liefst  met twee weken aaneengesloten sneeuwdek en/of stevige vorst.’

Ondanks alle onderhoud maken de pitches van afstand soms een wat dorre indruk. Dat verontrust Poort, Cantell en Joor echter allerminst. ‘De ondergrond moet vlak zijn en geen gevaar opleveren voor de spelers. Verder moet de graspitch constant zijn maar hoe deze speelt hangt af van de weersomstandigheden tijdens de voorbereiding. Daarnaast is het juist de charme van een graswicket dat een bal een onvoorspelbare stuit kan maken. Het vereist veel meer technische vaardigheden van de batsmen dan een kunststof ondergrond. Daarop reageert elke bal hetzelfde.’ Als het regent wordt er overigens niet gecricket, dat geldt voor beide ondergronden.

Dertien pitches liggen er in een square, zodat er tijdig kan worden gewisseld. Maar zelfs achter die procedure zit een protocol. ‘De pitches zijn genummerd van 1 tot en met 13. Eerst zijn de oneven nummers aan de beurt, dan de even nummers. Het vergt tien dagen om een graswicket goed te prepareren. Als het gedurende die periode lange tijd droog is, zal de bal beter stuiten dan wanneer het natter is.’

Het meeste genoegen scheppen de drie niet alleen uit een fraai speelveld – hoe merkwaardig dat ook lijkt – maar uit hun aanwezigheid in de vroege ochtend. Als de velden voor de wedstrijden op zaterdag of zondag worden geprepareerd. Ze beginnen daarmee vier uur voor aanvang. Daar, in Utrecht-Oost, aan de rand van Amelisweerd is de pracht van het bos, de natuurrijke omgeving in volle glorie voelbaar en welhaast tastbaar. ‘Dat is misschien wel het mooiste moment. Het is dan rustig, doodstil soms. Die ogenblikken dat je alleen bent, dat je bijna één wordt met de natuur. Prachtig.’