Broers delen ambitie om de beste te zijn

Wielrennen Sietse Felix

De Utrechtse Sportkrant verbindt zijn naam aan de verkiezing Talent van het Jaar, onderdeel van de Sportprijs Utrecht 2016. In aanloop naar 7 februari 2017, het uiteindelijke Gala, stellen we in monoloogvorm een aantal talenten aan u voor. Zij komen mogelijk in aanmerking voor een nominatie. In deel 5 van deze serie de broers Lars en Marijn van den Berg uit De Meern, die zich tot talentvolle coureurs hebben ontwikkeld bij Het Stadion.

De broers Lars en Marijn van den Berg uit De Meern zijn aanstormende talenten in het wielrennen. Ze zijn respectievelijk 18 en 17 jaar en hun levens gaan zodanig gelijk op dat hun moeder spreekt van een ‘uitgestelde tweeling’.

Vanwege een plotselinge wedstrijdverplichting van Marijn spraken we alleen met Lars over zijn inspanningen en ambities, waarbij hij aangaf dat we in zijn verhaal, op enkele details na, ook dat van zijn broer Marijn mogen lezen.

‘Vanaf m’n zesde zit ik op de fiets, twaalf jaar dus nu. Eerst zat ik op hockey, maar dat vond ik niet zo. Toen heeft m’n vader me meegenomen naar Het Stadion in Nieuwegein, naar een kennismakingsdag wielrennen. En dat vond ik zo leuk dat ik ben overgestapt. Mijn vader deed vroeger ook aan wielrennen en m’n moeder aan waterpolo, dus sport zit wel in de familie.’

‘In het begin trainde ik tweemaal per week een uurtje, maar dat is gaandeweg steeds meer en zwaarder geworden. In het wedstrijdseizoen zit ik zes keer per week op de fiets; met de wedstrijden erbij al gauw dertien tot veertien uur per week. En dan nog een paar uur training ‘core stability’, rekken en strekken erbij; alles bij elkaar kom ik wel aan de twintig uur per week.’

‘Trainen doe ik gewoon op de weg, vaak samen met Marijn. Dan volgen we de schema’s die we van onze trainer krijgen en rijden we zo’n 65 kilometer in twee uur. Utrechtse Heuvelrug, naar Amerongen of Hilversum op en neer; we proberen er wel een beetje variatie in te brengen, want anders wordt ‘t saai. En de ploegentraining doe ik bij Metec in Tiel en Marijn bij Willebrord Wil Vooruit.’

‘Ik huur zelf een professionele trainer in, dus niet via een vereniging. Dat gaat via zijn eigen bedrijf, Kadanz Cycling. In het begin begeleidde mijn vader ons, maar als je wat verder komt wordt dat toch lastig vanwege de tijd. Hij sportte zelf op hoog niveau, tweemaal het EK en eenmaal het WK triatlon; hij kon dus wel een goede basis leggen.’

‘Bij het trainen van ‘core stability’ train je eigenlijk je romp, zodat je wat strakker en stabieler op de fiets zit. Dat is belangrijk om je krachten goed over te kunnen brengen en om niet onnodig vermogen te verliezen omdat je niet goed op de fiets zit. Eenmaal in de week doen we krachttraining, bijna helemaal gericht op de benen. Armen en borst trainen we wel wat, maar alleen voor zover dat belangrijk is voor de core stability; voor de rest is spiermassa die je daar hebt zitten alleen maar extra gewicht.’

‘Volgend jaar word ik negentien en dan kan ik gaan rijden in de groep onder drieëntwintig. Dat betekent dat ik bij de beloften in een ploeg kan gaan rijden en die heb ik inmiddels ook gevonden: Continental. Ik heb nu een fiets en materiaal gekregen van de ploeg, zodat ik dat niet allemaal meer zelf hoef te betalen. De fiets die ik nu heb gekregen kost nieuw toch al gauw vijfendertighonderd euro. Dan heb je ’t nog niet over reparaties, vervangende materialen en zo. Een klein kuiltje kan je zo een nieuw wiel kosten…’

 

Levensgevaarlijk

In de woonkamer staat een akelig verbogen fietswiel, herinnering aan een recente valpartij. Lars: ‘Dat wa s een stevige val maar ik ben er nog goed vanaf gekomen met een gebroken elleboog en sleutelbeen. Ik heb nu twee pinnen in m’n elleboog en een grote plaat op het sleutelbeen. Als het koud is worden die pinnetjes erg koud en dan heb ik er wel last van. En zonder helm rijden: dat kan echt niet meer. Je ziet ze zondags vaak rijden en dan nog onverantwoord ook: overal inhalen en zo, levensgevaarlijk.’

‘Onze grote voorbeelden zijn Bradley Wiggins en Peter Sagan, omdat ’t allebei sterke en slimme renners zijn. Sagan ook omdat ‘ie altijd aanvalt. Mooi om te zien dat iemand voor z’n sport leeft en er dan ook het beste uit kan halen. Je kunt wel proberen te gaan fietsen als je grote voorbeelden maar uiteindelijk val je toch terug op hoe je zelf ’t best op de fiets zit. Dat is ook goed, anders ga je jezelf forceren in een voor jou niet natuurlijke houding.’

‘Ons wielrennen vraagt van het hele gezin veel inspanning, niet alleen van ons en niet alleen financieel. In 2016 hebben we alleen al ruim dertigduizend autokilometers afgelegd om alle trainingen en wedstrijden te kunnen bezoeken. Onze vader gaat dan meestal mee en dat vindt de rest van ’t gezin niet altijd even leuk. Daarom is de wintervakantie voor ons heilig, dan zijn we even allemaal bij elkaar.’

‘Ik heb eenmaal het EK gereden en hoop me komend seizoen opnieuw te kwalificeren. En als je naar het EK gaat heb je ook goede papieren voor het WK. Over een jaar of vijf wil ik toch wel bij een World Tour-ploeg zitten en op weg zijn naar de top. Marijn en ik hebben allebei de ambitie om de beste te zijn en niet ergens daaronder te blijven hangen.’

‘Als dat niet lukt, sporten aan de top, dan heb ik niet de behoefte om op dit niveau door te gaan. Daarom maak ik ook mijn mbo-opleiding af en ga ik, als dat lukt, door op hbo-niveau. Er zijn nog andere dingen dan sport die ook belangrijk zijn. Vorig jaar ben ik hard gevallen en als dat een keer slechter afloopt, kan alles in het wielrennen ineens voorbij zijn. Dan kun je maar beter een diploma op zak hebben.’