Cies Bouwens, bestuurder tussen koddig en kordaat

Voetbal Pim van Esschoten

‘IJdele opa’, schreef hoofdredacteur Johan Derksen in zijn column voor Voetbal International. Het was eind februari 1994 en Cies Bouwens was enkele dagen eerder aangetreden als voorzitter van FC Utrecht. Zijn opdracht was het bestuurlijke puin te ruimen. Met bekvechtende geledingen, weinig geld en matig bezette tribunes klungelde de club wat af, zo pal boven de degradatiestreep. De overwinning op MVV (3-0) was dus een opsteker en de nieuwe preses was na afloop het veld van Galgenwaard opgelopen om te delen in de vreugde.

Hij had het vaak zo gedaan. In zijn royale appartement aan het Moreelsepark hingen vele foto’s van voetbalploegen, basketbal- en honkbalteams waarop ook hij prijkte als teamleider, manager, sponsor of voorzitter. En hoewel er in Utrecht en wijde omgeving geen levende ziel zal zijn te vinden die Bouwens ooit zèlf een bal heeft zien beroeren, verbleef hij graag in de kleedkamers. ‘Want waar wordt nu harder gehuild of gelachen,’ zei hij dan. Soms sprak hij de spelers kordaat toe, dan weer was hij een koddige verschijning tussen winnaars, die hij op de schouders sloeg. Hij was er altijd mee weggekomen.

 

Serie ‘Voetafdruk’

De een deed het als bestuurder, de ander was een doener. Vaak waren ze hun tijd vooruit, soms juist precies op tijd. Ze organiseerden, kwamen met ideeën die voor vernieuwing en verandering zorgden. En zo lieten ze een stevige voetdruk achter in de Utrechtse sport. In aflevering vier van deze serie: Cies Bouwens, parmantig bestuurder die in 1954 al aan het kraambed van het Utrechtse profvoetbal stond. Sterk in tijden van crisis, immer aanwezig.

 

Nu gebeurde dat echter voor de camera’s van Studio Sport, Derksen had als altijd op de loer gelegen, zag een bestuurder die het succes naar zich toe trok en haalde uit. Bouwens zat er niet mee. Sterker, hij bedankte Derksen. Het was hem meteen duidelijk, zei hij, dat het bij de profs anders werkt dan bij de amateurs.

Hij had nota bene in het voorjaar van 1954 aan het kraambed van het profvoetbal gestaan. Geboren in Rotterdam, verhuisd naar Zuilen in de oorlog, bestierde hij een kruidenierszaak aan de Amsterdamsestraatweg, waar ‘ze’ van de Nederlandse Beroeps Voetbal Bond (NBVB) hem hadden opzochten; of hij wilde meehelpen een profclub in Utrecht van de grond te tillen? Bouwens was het van harte eens met die betalingen. De artiesten, zo vond hij, moesten er ook wijzer van worden.

 

Profs

De wilde Profclub Utrecht – net als talloze andere afvallige clubs – speelde in 1954 onder auspiciën van de Nederlandse
Beroeps Voetbalbond, die had zich afgescheiden van de KNVB. Toen het profvoetbal niet meer tegen was te houden door
de KNVB gingen beide bonden amper een jaar later samen.

In de naoorlogse Nederlandse sport was amateurisme de norm. Er waren voetbalprofs, maar die speelden in het buitenland en voor dat ‘uitschot’ was geen plaats was in Oranje. Toch gingen er steeds meer stemmen op om ook in Nederland betalingen toe te staan, ook al omdat dat Nederlands elftal afgleed. Eind 1953 werd in Amsterdam de NBVB opgericht, in april 1954 stonden ze bij Bouwens in de zaak. Profclub Utrecht werd een van de eerste in het land die de centen rond had en het profcontract dat Bouwens met Louis van den Bogert van DOS tekende, was het eerste ooit in Nederland. Alles in het diepste geheim.

Amper 26 jaar oud werd hij directeur van de profclub. Datzelfde jaar solliciteerde hij naar de functie van leerling-verkoper bij Unilever. Het gesprek ging het al gauw over de nieuwe profcompetitie. ‘Dat gaan jullie niet redden,’ zeiden de heren van Unilever. ‘Hoezo niet? Het gaat zeker lukken,’ had Bouwens geantwoord. Hoe dat gesprek verder ook is verlopen, Bouwens wist zeker dat zijn promotie van het ‘kutwinkeltje’ (meer was het niet, zei hij) aan de Amsterdamsestraatweg naar de multinational een gevolg was van zijn bemoeienissen met de profclub.

 

Sponsor

Eind 1954 bereikten KNVB en de wilde bond een compromis en kwam het betaalde voetbal onder de vlag van de KNVB. De Utrechtse profclub werd overgenomen door Elinkwijk, inclusief de contractspelers. Bouwens werd jeugdvoorzitter bij Celeritudo, al fungeerde hij vanaf 1959 nog drie seizoenen als manager van de proftak van Elinkwijk.

Het avontuur met de NVBV had als breekijzer gewerkt. Begin jaren ’70 stond Bouwens andermaal aan het begin van een ingrijpende verandering in de sport. Sponsoring was nu het heikele thema waarbij preciezen en rekkelijken tegenover elkaar stonden, in dit geval in sporten als basketbal, honkbal of volleybal. Bouwens, inmiddels lid van UVV, had er andermaal geen moeite mee en – opgeklommen in de hiërarchie bij Unilever tot directeur – had hij ook wat te bieden.

Hij sponsorde al met Ola de basketballers van Cangeroes, niet lang daarna (1972) stond het algemeen bestuur van UVV toe dat de honkballers het logo op de borst droegen. Roomijsjes en een zomerse sport; Ola UVV groeide uit tot een begrip in de Nederlandse sport en geldt nog altijd als een van de langstlopende sponsorverbindingen. Om veel geld ging het overigens niet; in de eerste jaren 15.000 gulden per seizoen, later liep dat op tot 40.000. Topclubs in de hoofdklasse ontvingen meer, maar Ola bleek dus wel een loyale geldschieter en dat had alles te maken met de persoonlijke band van Cies Bouwens met club en sponsor. In 1973 werd hij niet alleen algemeen voorzitter bij UVV, maar ook teammanager. Op de teamfoto van dat jaar pronkt hij in honkbalpak en -pet met ‘zijn’ Ola.

Toen hij in 1993 met pensioen ging werd hem bij Unilever gevraagd wat hij als afscheidsgeschenk zou willen hebben. ‘Doe nog maar drie jaar sponsoring voor UVV,’ had hij gezegd. Uiteindelijk plakte de multinational er nog een jaar extra aan vast.

 

Pensioen

Die gepensioneerde staat beviel Bouwens overigens weinig. Hij verveelde zich en zegde al gauw toe toen hij begin 1994 werd gevraagd als voorzitter van FC Utrecht. De gemeente Utrecht (met jaarlijks bijna een miljoen gulden subsidie voor stadion Galgenwaard een belanghebbende) speelde daarin een belangrijke rol. Bankier Theo Aalbers had de club tien jaar met ijzeren knuist geleid, sinds zijn aftreden was het trammelant.

Bij de gemeente was Bouwens bekend van zijn werk voor de Vereniging Sportbelang Utrecht. Ook daar had hij aan de wieg gestaan. De voorloper van het huidige SportUtrecht, ontstond in 1987 uit woede over een enorme huurverhoging van sportaccommodaties. Met Dirk Brauckmann, Jo Smit en Peter Donkersloot hadden Bouwens het rapport Een nieuwe lente, een nieuw geluid geschreven waarin de verhoudingen tussen gemeente en sportclubs op de schop gingen. De aloude Sportraad en USLO verdwenen en de VSU (de sportclubs dus) werd de nieuwe overlegpartner voor de gemeente. Brauckmann werd voorzitter, Bouwens bleef tot 1995 vice-voorzitter. De VSU bereikte na jarenlang verzet rond de huurverhoging een compromis met de gemeente.

Zijn staat van dienst bij Unilever, UVV en VSU bij elkaar opgeteld maakte Bouwens een geschikte kandidaat voor het voorzitterschap bij FC Utrecht. Bouwens stemde toe, maar wilde eerst ‘mijn vrienden bij UVV’ inlichten voor het wereldkundige werd gemaakt. Aangekomen op sportpark Verthoren stonden die vrienden al naar het nieuws op teletekst te kijken… Zijn vrienden voelden zich verraden, Bouwens trok zich terug. Enkele dagen later streek sportwethouder Wim van Willigenburg de plooien alsnog glad en kon een ‘ijdele opa’ de thuiszege op MVV op het veld meevieren.

 

Crisismanager

Toen Cies Bouwens in 1993 met pensioen ging werd hem bij zijn werkgever
Unilever gevraagd wat hij als afscheidsgeschenk zou willen hebben. ‘Doe nog
maar drie jaar sponsoring voor UVV,’ had hij gezegd. Foto: archief Remco Neu.

Terug tussen de profs. Later, terugkijkend, zei hij in het Utrechtse Nieuwsblad: ‘FC Utrecht was géén slangenkuil. Ik heb een geweldige tijd gehad. Ik zag mezelf als crisismanager. En ja, ik hou me wel staande in tijden van crisis.’ Hij kon verwijzen naar zijn rol in de nitriet-affaire, die zijn Ola-Iglo trof in 1980; twee mensen overleden en velen werden ernstig ziek als gevolg van lekkend nitriet in de koelwagens waarin de diepvriesmaaltijden van Iglo werden vervoerd. ‘In tijden van de grootste crisis draai ik me ’s nachts nog eens om en slaap verder.’

Kwiek, aimabel en parmantig als hij was, kon hij ook hard zijn, rechtlijnig. ‘Als je beslissingen moet nemen, maak je niet altijd vrienden.’ Spijt kende hij echter niet. Over niks. Niet over zijn vete met Ron Jaarsma, die daarom vertrok naar HCAW om daar naamsponsor (Mr. Cocker) te worden. Niet over het ontslag van mister FC Utrecht Leo van Veen als trainer. In februari 1995 lekte uit dat diens contract niet werd verlengd. De onrust die volgde had hij zelf veroorzaakt door nu eens niet kordaat op te treden.

Dat deed hij weer wel bij de komst van de business seats. Een kwajongensstreek van Bouwens, die zag dat meer uit het bedrijfsleven kon worden gehaald mits de club wat kon bieden. En de preses had grote haast, want hoofdsponsor AMEV dreigde te stoppen. Hij wachtte niet op de benodigde vergunningen en zette een verbouwing in gang. Daarbij kletste hij een opleidingslokaal van de Belastingdienst naar een andere locatie, waardoor een lounge kon worden gebouwd bij de nieuwe seats.

Op de avond voor de opening, eind 1994, dineerden toevallig enkele leden van de gemeenteraad in het naastgelegen restaurant Galg en Waard. Eén van hen liep de gloednieuwe lounge binnen en zei: ‘Wij beslissen morgen in de raad over de bouwvergunning en het hele spul is al klaar!’

Wat Bouwens ook deed: hij doopte het voormalige belastinglokaal ongevraagd om tot AMEV-lounge. Kort daarop verlengde AMEV het sponsorcontract met twee jaar, verhoogde de bijdrage met 250.000 gulden naar 1,5 miljoen jaarlijks en deed er nog 100.000 gulden bij voor de (nieuwe) jeugdopleiding. Op de ranglijst van meest gulle sponsors in de eredivisie nam AMEV vanaf dat moment de vierde plaats in.

 

Vertrek

Het vertrek van Bouwens, voorjaar 1995, verbaasde. Het was omdat hij zijn vrienden bij UVV miste, zei hij. Zat hij op zondagmiddag bij FC Utrecht op de tribune, waren zijn gedachten bij de wedstrijd van UVV. ‘Belachelijk natuurlijk,’ vond hij. Bovendien, zei hij, was intern al sinds zijn aantreden bekend dat hij zijn periode van drie jaar niet zou volmaken.

Geruchten over bedreigingen vanuit de hoek van supporters zou hij altijd blijven ontkennen: ‘Ik had juist een uitstekende relatie met de supporters.’ Niet voor niets had hij ze het eerste weekeinde al opgezocht. Dáár moest hij zijn, wist hij. Tussen de fans. ‘Trekt een van die jongens zijn broek naar beneden en toont een tattoo van FC Utrecht op z’n blote kont. Fan-tas-tisch, zei ik. Lul, dacht ik.’

Dat verhaaltje vertelde hij vlak voor zijn dood in 2008. Een jaar eerder had hij de diagnose keelkanker gekregen. Het zou een kwestie van maanden zijn, hij leefde nog ruim een jaar langer. ‘Ik denk omdat ik zoveel menselijk warmte heb mogen ontvangen, de afgelopen tijd. Daar ben ik heel dankbaar voor.’

Dat laatste jaar bezochten velen hem nog in zijn appartement aan het Moreelsepark. Cies Bouwens had alles in gereedheid gebracht voor zijn naderend einde. Als jarenlang lid van de NVVE had hij zijn eigen moment gekozen. In zijn laatste week lagen de overlijdensberichten op tafel – hij schreef zelf de adressen op de enveloppes. ‘Ik maak het hier wel mee dat bezoekers het er moeilijker mee hebben dan ikzelf.’ Gelijk een crisismanager bleef hij die dagen overeind. Bijna koeltjes, berustend.

Bij de thuisduels van UVV had Bouwens immer zijn rondjes rond het veld gelopen. Babbeltje hier, handje schudden daar, de blik half op het veld gericht. Ook op 20 april 2008 deed hij dat, maar het bleef bij één rondje. Hij was moe, hij moest gaan zitten, wist dat het gedaan was. Vier dagen later overleed hij.

 

 

Jan Francien Bouwens

Geboren: Rotterdam, 22 juni 1928

Overleden: Utrecht, 24 juni 2008

 

1954: directeur Profclub Utrecht

1954-1959: jeugdvoorzitter Celeritudo

1959-1963: manager proftak Elinkwijk

1963-1973: jeugdvoorzitter Celeritudo

1973-1993: algemeen voorzitter UVV

1987-1995: vice-voorzitter Vereniging Sportbelang Utrecht

1994-1995: voorzitter FC Utrecht

 

Erevoorzitter UVV

Erelid Cangeroes

Erelid VSU

Lid in de Orde van Oranje Nassau

Drager van de Sportpenning Stad Utrecht