‘Je moet leren jezelf pijn te doen’

Wielrennen Sietse Felix

Op de Olympische en Paralympische Spelen hebben de Nederlandse wielervrouwen het opmerkelijk goed gedaan. Met wegkampioene Anna van der Breggen als boegbeeld. Misschien vormt de Zwolse een inspiratiebron voor jonge meiden in de regio Utrecht.

Wielervereniging Het Stadion telt ongeveer honderd leden in de leeftijd van 8 tot 18 jaar, waarvan ongeveer dertig procent meisjes. Die halen regelmatig het podium. Zoals de zussen Charlotte en Fabienne Kool uit Kortenhoef, Jennifer van der Voort uit Maarssen en Anne de Ruiter uit Polsbroek die zelfs geselecteerd werd voor het EK bij de junior-meisjes.

Wat is er nodig om de top te halen? Michel van der Voort, ploegleider en trainer van het meidenteam van de 80-jarige Utrechtse wielervereniging Het Stadion, vertelt er graag over.

‘De beste leeftijd voor meiden om met wielrennen te beginnen is elf tot twaalf jaar’, steekt hij van wal. ‘Voor jongens ligt dat op twaalf tot dertien jaar. Meiden zijn fysiek iets eerder ontwikkeld en daarom mogen ze in een jongere leeftijdsklasse uitkomen. Voor het competitie-element is dat belangrijk, omdat er dan sprake is van gelijkwaardigheid.’

Voor meiden die op latere leeftijd beginnen, bijvoorbeeld rond hun achttiende, is het vaak lastig om de achterstand op de technische aspecten in te lopen. Jonge meiden zijn over het algemeen sterker, beter coachbaar en ontwikkelen zich ook sneller.
De elf- en twaalfjarigen beginnen met driemaal per week een jeugdtraining; in totaal zo’n vier tot vijf uur. Naarmate ze ouder worden neemt de trainingsbelasting toe, tot tien uur per week voor de veertienjarigen. Er wordt dan veel getraind op techniek: sprintoefeningen, bochtentechniek, wedstrijden rijden, positioneren in een peloton. De trainers rijden met ze mee om te zien hoe ze dat doen en waar verbeteringen mogelijk zijn.

Op vijftienjarige leeftijd worden ze ‘nieuweling’ en dan komen ze er min of meer alleen voor te staan. Van der Voort: ‘Ze zijn dan zo ver in hun ontwikkeling dat er professionele kennis, trainers en materiaal ingekocht moeten worden om nog verder te komen. Verenigingen kunnen daar vaak niet in voorzien. Terwijl de trainingsdruk en het aantal wedstrijden, ook internationaal, verder oplopen dienen zich ook nog eens zaken aan als opleiding, examens, verliefdheden. Ze gaan dan een lastige fase van hun sportieve carrière in.’

Ploegleider en trainer Van der Voort kan er over meepraten, want van zijn twaalfde tot zijn eenentwintigste was hij zelf een ambitieuze wielrenner. Een profcarrière leek een tijd lang bereikbaar, maar door medische problemen moest hij daarvan afzien. Enkele jaren geleden liet zijn dochter weten dat ze wel wilde beginnen met wielrennen en dat was ook voor hem het moment om weer actief te worden in de sport.

Over wat je, naast fysieke kwaliteiten, moet meebrengen om het in het wielrennen ver te schoppen zegt Van der Voort: ‘Iedereen kan fietsen, maar je moet wel leren jezelf pijn te doen. Je moet er voor kiezen om tien tot twintig uur per week met je sport bezig te zijn en veel te reizen naar wedstrijden. Op weg naar de top moet je bereid zijn duizenden euro’s in je materiaal, training en begeleiding te steken.’

En, misschien wel ’t belangrijkste, zeker voor de jongere meiden: je ouders moeten achter je staan. ‘Met voetbal is het gemakkelijk: ze brengen je erheen, ze carpoolen met andere ouders van het team, en een paar uur later halen ze je weer op’, vervolgt Van der Voort. ‘Maar als wielrenster moet je met je materiaal alle hoeken van het land door en soms ook naar het buitenland. Dat carpoolt een stuk minder makkelijk. En er wordt nog wel eens gevallen: welke ouder wil z’n kind in een vreemd ziekenhuis hebben liggen en er zelf niet bij zijn… Mijn stelregel is altijd geweest: als mijn kind naar een wedstrijd gaat, ben ik er ook.’

Michel van der Voort is een gedreven trainer binnen het Utrechtse wielermilieu. Hij weet wat er voor nodig is geweest wanneer een meisje een nationaal, internationaal of olympisch podium heeft betreden. Zo’n succesvolle renster heeft op die betrekkelijk jonge leeftijd dan toch al snel tienduizend uur training achter de rug.

En dat begint met een goede basis. Van der Voort: ‘De situatie was een aantal jaar geleden zo dat de meeste Utrechtse verenigingen maar een paar meiden hadden. We konden ze niet voldoende gerichte aandacht en activiteiten bieden. Ouders zochten actief naar mogelijkheden en op enig moment hebben mijn partner in het team en ik de koppen bij elkaar gestoken. Alle ideeën hebben we op een rij gezet en in een plan gegoten, dat we aan de rensters presenteerden. De reacties waren heel enthousiast en we hebben het meidenteam opgericht. Vervolgens zijn we sponsoren gaan werven. Gaandeweg hebben we de organisatie kunnen opbouwen die er nu staat, met daarin 19 ambitieuze rensters. We bieden een volledig pakket aan training, begeleiding en vooral ook plezier.’

Meiden die geïnteresseerd zijn kunnen een kijkje komen nemen en een aantal proeftrainingen meedraaien bij WV Het Stadion. Voor de eerste jaren hoeven ze geen fiets te kopen maar kunnen ze die huren om te ontdekken of wielrennen iets voor ze is.

Van der Voort: ‘Als ze besluiten lid te worden dan hebben ze toegang tot alle trainingsfaciliteiten van Het Stadion. En het is goed dat ze weten dat we winnen leuk vinden, maar dat onze eerste prioriteit altijd blijft om meiden die bereid zijn hun best te doen, op de best mogelijke manier te begeleiden naar een mooie, sportieve toekomst.’