Een proefschrift over sport

Beleid Edwin Stoel

Utrechter Maikel Waardenburg promoveerde 16 september aan de Universiteit Utrecht op zijn proefschrift ‘Dubbelspel’. Het gaat over sport, dus is dit werk een aanrader voor de sportliefhebber? 'Dubbelspel’ poogt het proces van instrumentalisering van sportverenigingen te beschrijven en te begrijpen. Edwin Stoel legt uit.

Instrumentalisering komt daarin naar voren als een machts- en afhankelijkheidsproces waarin de relatie tussen twee of meer actoren in

Proefschrift
Proefschrift

dienst komt te staan van ideologische, economische of sociaal-maatschappelijke belangen’, aldus Waardenburg.

Kijk dit is proefschrifttaal. Ik zal proberen wat punten aan te geven in normale taal. We beginnen dus met: gemeenten proberen sportverenigingen voor hun karretje te spannen. En dat heeft wat weg van het baasje dat zijn hondje wil africhten. Baasje denkt dat hij het dik voor elkaar heeft: ‘Als ik poot zeg, geeft hond altijd een poot.’ Hond ziet dat heel anders: ‘Als ik een poot geef, geeft baasje altijd een brokje.’ En er zijn veel honden die gelijk hebben. En veel verenigingen die lustig terug-manipuleren naar de gemeente.

Sportverenigingen zijn in eerste instantie bezig met het bij elkaar brengen van mensen die sport willen beoefenen, ieder op zijn eigen niveau, en dat beoefenen mogelijk te maken. Anderen en vooral overheidsbestuurders willen vaak meer. Dat is van alle tijden.

Tijdens de koude oorlog moesten sportprestaties het imago van het land opkrikken en Oost-Duitsland – met andere Oostbloklanden – ging daar toen wel heel ver in. Maar  wat te denken van de doelstelling van onze sportkoepel NOC*NSF: Nederland in de top-10.

Tegenwoordig gaat het echter vaak om andere doelstellingen. Zoals publieke gezondheid, de strijd tegen obesitas of vereenzaming en sociale integratie van minderheden en gehandicapten.

Nu is het werken aan deze doestellingen een natuurlijk bijproduct van sportverenigingsactiviteiten, vandaar de begerige blik van gemeenten naar die verenigingen. Alleen zien die gemeenten graag dat niet alleen de leden profiteren van sport.

Nu hebben verenigingen ook hun problemen. Zo zijn zij vaak wat betreft de accommodatie afhankelijk van de gemeente. Maar er is ook een terugloop aan vrijwilligers; leden worden immers individualistischer en consumptiever. De vereniging wordt gezien als een instantie die faciliteert.

Daarom willen gemeenten dat verenigingen hun aanbod aanpassen aan de wensen en behoeften van specifieke doelgroepen (ouderen, allochtonen, sporters met een beperking) en de zogenoemde nieuwe sportconsument, om zodoende meer mensen bij hun activiteiten te betrekken. Daar hebben gemeenten wel wat smeerolie voor over: geld.

Een vondst in dit kader is de zogenaamde Combinatiefunctionaris (CF). Dit is een persoon die betaald wordt door de gemeente, maar in dienst komt van een vereniging. Daar mag de functionaris 40% van de tijd besteden aan wat de vereniging graag wil en 60% aan de doelstellingen van de gemeente. Waardenburg heeft als casestudy (één van de twee casestudies in het proefschrift) de komst van zo’n functionaris bij Volleybalvereniging VVU uit Utrecht geobserveerd.

De club had al eerder de behoefte waargenomen om een soort verenigingsmanager aan te stellen om de ambities van de vereniging te helpen realiseren. Maar VVU was daar mede om financiële redenen nog niet toe gekomen. Zij zag de nieuwe functionaris vooral in die rol. Dat hij/zij van gemeentewege daarnaast clinics organiseerde op scholen en andere promotieactiviteiten in de buurt ontplooide, nou ja, die zegen van de vereniging had hij of zij. Toen de gemeente echter de combifunctionaris ook meende te moeten inzetten aan de andere kant van de stad, leidde dat wel tot frictie. Wie stuurt deze ‘ambtenaar’ nu eigenlijk aan?

Waardenburg, zelf spelend bij VVU, in zijn proefschift: ‘Niet alleen dwingt de gemeente hiermee de CF om volleybalaanbod te verzorgen in door de gemeente bepaalde wijken, ook dwingt zij VVU op deze wijze activiteiten te ontplooien in die wijken. De CF is tenslotte in naam van VVU actief op de scholen in de door de gemeente aangewezen wijken en regelmatig ondersteunen, gehuld in VVU-kleding, vrijwilligers van de club de CF in haar werkzaamheden’.

Maar de voordelen voor de vereniging zijn ook evident: een goede relatie met de gemeente, waarvan later wellicht geprofiteerd kan worden, een positief imago en wat ledenaanwas. Tevens de kans (toch?) om een belangrijke maatschappelijke rol te vervullen en de professionele bijdrage van de combinatiefunctionaris binnen de eigen vereniging, die geen geld kost. Ze komen er dus wel uit, samen.

Conclusie van Waardenburg:

‘Gemeenten en sportverenigingen gebruiken elkaar om hun eigen doelen na te streven, dat kenmerkt het dubbelkarakter van deze tactiek’.

De titel van het proefschrift is niet voor niets ‘Dubbelspel’.

Maikel Waardenburg is als docent/onderzoeker verbonden aan het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht.