Honderden miljoenen nodig voor meer gymles in basisonderwijs

Onderzoek Redactie Utrechtse Sportkrant

Landelijk gezien voldeed liefst 27% van de scholen in het primair onderwijs in schooljaar 2014/2015 nog niet aan de norm van 90 minuten (2 lesuren) bewegingsonderwijs per week. Het vergt circa 167 miljoen euro aan additionele investeringen om het scenario te realiseren waarin in 2021 op alle basisscholen twee uur gymles voor 80% door vakleerkrachten worden gegeven.

De jaarlijkse structurele extra kosten worden daarna geschat op 32 miljoen euro. Een uitbreiding naar 3 uur gymles per week voor 100% gegeven door vakleerkrachten per 2021 vraagt om circa 790 miljoen aan additionele investeringen. De jaarlijkse extra kosten komen na doelrealisatie neer op circa 152 miljoen.

Dat blijkt uit onderzoek van Regioplan en het Mulier Instituut, gevestigd in Utrecht, in opdracht van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) naar aanleiding van planvorming van OCW en de PO-Raad (de sectororganisatie voor primair onderwijs) op dit terrein en een initiatiefnota van het Kamerlid Heerema (CDA) om de inzet van vakleerkrachten voor het geven van bewegingsonderwijs verplicht te stellen.

In het regeerakkoord van 29 oktober 2012 was het streven opgenomen dat basisscholen meer lesuren bewegingsonderwijs aanbieden, gegeven door een bevoegde leerkracht.

Daarom hebben het ministerie van OCW en de PO-raad de afspraak gemaakt dat alle basisscholen eind 2017 minimaal twee lesuren bewegingsonderwijs aanbieden. Die worden gegeven door een daartoe bevoegde leerkracht of een vakleerkracht. Het uiteindelijke streven is drie lesuren bewegingsonderwijs.

Andere opvallende uitkomsten uit het rapport zijn:

73% van de scholen voldeed in het schooljaar 2014/2015 aan de norm van 90 minuten/2 lesuren bewegingsonderwijs per week;

·       87% voldeed aan de bevoegdheidsnorm (alle lesuren bewegingsonderwijs gegeven door bevoegde groepsleerkrachten of vakleerkrachten);

·       Op 50% van de basisscholen (exclusief speciaal onderwijs) was in 2013 sprake van inzet van vakleerkrachten; Bij 21 procent worden de lessen alleen door vakleerkrachten verzorgd, bij 29 procent door vakleerkrachten en groepsleerkrachten;

·       Als belangrijke redenen voor het niet voldoen aan de bevoegdheidsnorm noemen schoolleiders het ontbreken van voldoende middelen om gekwalificeerde leerkrachten in te zetten en (in mindere mate) het aanbod van gekwalificeerde leerkrachten;

·       De belangrijkste redenen voor het niet behalen van de minuten-/lesurennorm of voor het niet uitbreiden van de lesduur van het huidige beleid zijn vooral van praktische aard. Dat heeft onder meer te maken met de vervoerstijd en de afstand tot de gymlocatie en met de beschikbare ruimte en tijd in gymlocaties. Maar ook het niet voorhanden zijn van voldoende leerkrachten met een brede bevoegdheid speelt een rol, net als de prioriteiten die scholen stellen in het lesaanbod;

·       Scholen zien mogelijkheden om te komen tot uitbreiding van tijd besteed aan gezondheid en bewegen, maar veelal krijgt die uitbreiding nu gestalte buiten het formele curriculum lichamelijke opvoeding en de eisen die daarbinnen aan personeel, lesstof en accommodaties worden gesteld. Creatieve directeuren vinden wegen om extra in thema’s als lichamelijke opvoeding en gezondheid te kunnen investeren.

De sectororganisatie ziet bij monde van vice-voorzitter Anko van Hoepen haar visie ten opzichte van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs bevestigd: ‘De cijfers beamen wat de PO-Raad al jaren zegt: politieke ambities van diverse partijen die dit voorstaan, zijn onhaalbaar, onbetaalbaar en onwenselijk.’

De KVLO, dé belangenvereniging voor docenten en leerkrachten lichamelijke opvoeding én combinatiefunctionarissen onderwijs en sport, daarentegen is een totaal andere mening toegedaan. ‘In de berekeningen zijn de positieve effecten van het bewegingsonderwijs, zoals verhoging van de kwaliteit van het bewegingsonderwijs, verbeterde leerprestaties, gezondheidswinst en het verwerven van een actieve en gezonde leefstijl (nog) niet meegenomen’, laat de belangenorganisatie op haar website weten. ‘Als we deze positieve effecten meewegen, is een totaal bedrag van 200 miljoen euro over een periode van vijf jaar voor twee uur gymnastiekonderwijs voor alle leerlingen gegeven door een vakleerkracht, zeer rendabel.’

Immers het mes snijdt, aldus de KVLO, aan drie kanten:

a.     de werkdruk van groepsleerkrachten wordt een stuk minder

b.     alle kinderen leren goed bewegen waardoor deelname en plezier aan de sport- en beweegcultuur wordt vergroot

c.     de gezondheid van de jeugd neemt duurzaam toe en de gezondheidskosten nemen af.

Volgens Prof. Dr. Koen Breedveld van het Mulier Instituut, één van de medewerkers aan deze studie ‘Bewegingsonderwijs en vakleerkrachten. Eindrapport’, liggen de visies van de PO-raad en de belangenvereniging KVLO niet zo ver uit elkaar als het lijkt: ‘Als je de uitkomsten goed bestudeert niet, tenminste. In onze studie hebben we alleen gekeken naar wat het kost. Het wordt tijd dat er een onderzoek komt naar wat bewegingsonderwijs aan de basis ons oplevert.’

Staatssecretaris Sander Dekker tenslotte (VVD) erkent het belang van bewegingsonderwijs in het primair onderwijs (po): ‘Alle kinderen zijn gebaat bij beter bewegingsonderwijs. Het bevordert de gezondheid, draagt bij aan een actieve leefstijl en stimuleert de cognitieve, sociale en motorische ontwikkeling van kinderen.’

Maar tegelijkertijd is de financiële tol op dit moment te hoog, volgens Dekker. ‘Uit het voorliggende onderzoeksrapport blijkt dat een verplichte inzet van vakleerkrachten bewegingsonderwijs in het po, zoals in de initiatiefnota wordt voorgesteld, financiële consequenties heeft. Het gaat hier om jaarlijkse kosten uiteenlopend van 48 miljoen euro tot 204 miljoen euro, afhankelijk van de uitvoeringsvariant waarvoor gekozen zou worden. Hiervoor bestaat op dit moment geen dekking, waardoor nu geen nadere stappen ten aanzien van dit voorstel kunnen worden gezet.