Jan Willem van Schip praat mee over de Tour: nu nog zelf rijden

Wielrennen Hans van Ommeren

De uitspraak ‘doorgesnoven junkie style’ maakte Jan Willem van Schip na zijn overwinning in de Ronde van Drenthe gewild bij de lokale media. De goedgebekte renner uit Schalkwijk heeft met zijn originele teksten nu ook de Tour de France gehaald, in die zin dat hij zondagavond een van de gasten was in de Avondetappe van presentatrice Dione de Graaff. En hij benadrukte nog maar eens: ‘Ik wil dolgraag prof worden.’

Van Schip, opgegroeid als wielrenner bij Het Stadion, stal de show met zijn spontaniteit en ongekunsteldheid. Als ‘broekie’ van 22 had hij tussen gelouterde ex-profs als Rob Hamelink en Peter Zijerveld overal een mening over en kraamde nooit onzin uit. Een verademing in een talkshow over sport, waarin de kijkcijfers vooral programma’s op de commerciële zenders tot goedkope citaten verleidt.

De Avondetappe begon in mineur met de valpartijen die het beeld van de negende etappe van de Tour de France bepaalden. ‘Als je dit ziet, wil je dan nog wel,’ vroeg De Graaff aan Van Schip nadat ze hem had aangekondigd als ‘een groot talent’. De student bodem, water en atmosfeer aan de  Wageningen University kende geen twijfels: ’Natuurlijk wil ik, uiteindelijk is dit het liefste wat ik doe.’

 

‘Het gaat niet om vallen,
maar om het weer opstaan’

 

Hij knikte instemmend bij een gevleugelde uitspraak in de wielersport die door Harmelink werd aangehaald: het is podium of jodium. Van Schip: ‘Vallen hoort er gewoon bij. Het gaat er niet om hoe vaak je valt of op je bek gaat, zowel letterlijk als figuurlijk. Het gaat er om weer op te staan.’

Wat dat betreft waren de ontwikkelingen in de Ronde van Drenthe in maart van dit jaar een mooi voorbeeld. Hij was de hele dag in de aanval geweest, had het meeste kopwerk gedaan en reed met vluchtmakker Twan Caselijns van LottoNL – Jumbo naar de finish. Een sprint á deux was onvermijdelijk en Van Schip wilde het tempo hoog houden.

‘Dat leek me een goede tactiek.’ Maar Castelijns kwam toch over hem heen. ‘Toen stond de wereld even op zijn kop. Ik dacht, dit ga je niet menen, ik heb de hele dag zo mijn best gedaan.’ De Schalkwijker richtte zijn kop op, snoof een extra lading zuurstof en perste nog eens alles uit zijn lijf. En zie, hij kwam op zijn beurt over Castelijns heen en won.

 

Alles opzij zetten

Die term ‘doorgesnoven junkie style’ had hij gebezigd tijdens een ploegbespreking van Delta Cycling Rotterdam. Hij staat voor gretigheid om je doel te bereiken. ‘Je moet per se willen winnen. Alles maar dan ook alles willen geven om te winnen.’

Harmelink hoorde het goedkeurend aan, evenals Zijerveld, talentcoach bij de KNWU. Jan Willem had hij als knulletje al in het vizier gehad. ‘Op sommige vlakken moest je hem afremmen, tegenhouden. Wilde destijds alles goed doen. Dat kan niet. Doe eerst dit, dan dat. Niet alles tegelijk.’ Van Schip, met een grijns: ‘Het heeft tien jaar geduurd, maar we zijn het eens geworden.’

De Schalkwijker, tegenwoordig gehuisvest in Arnhem, manifesteert zich zowel op de weg als op de baan. Kiezen wil hij niet, hij denkt dat beide disciplines elkaar kunnen versterken, gelijk aan de filosofie van baancoach Peter Schep. ‘Ik ben geen baanrenner of wegrenner, maar gewoon coureur. Van allebei heb ik profijt. Heel veel dingen die ik leer op de baan neem ik mee naar de weg. En de inhoud van de weg neem ik mee naar de baan.’

Een wielrenner moet naast fysieke vermogens vooral mentale veerkracht hebben. Het fiasco van de achtervolgingsploeg waartoe Van Schip behoorde op de Olympische Spelen in Rio staat de Schalkwijker nog haarscherp voor de geest. De beelden in de Avondetappe deden nog steeds pijn. ‘Heel vervelend. Daarvoor ga je er niet heen, natuurlijk.’

In 2020 in Tokyo wil hij graag een herkansing. ‘Want ik vind de Olympische Spelen een waanzinnig mooi evenement.’ Voor die tijd hoopt hij al wel een profcontract op zak te hebben. Er is interesse, bijvoorbeeld van Sunweb en LottoNL – Jumbo. Bij die laatste formatie mag hij een fysieke test gaan doen. ‘Ik hoop dat ik de overstap kan maken en bij de profs mijn ambities en doelen kan waarmaken. Ik denk wel eens, het zou toch wat zijn als ik volgend jaar Parijs-Roubaix mag rijden.’