Leo Witvliet liet zich niet remmen

Atletiek Sporthistorie Pim van Esschoten

Het was feest bij Hellas op atletiekbaan Overvecht, in augustus 2015. De club bestond 90 jaar en verkeerde in een euforische roes vanwege de wereldtitel van Dafne Schippers in Beijing. Leo Witvliet onthulde ‘zijn’ plaquette. Het eerbetoon aan de erevoorzitter moest de eerste worden van een heuse walk of fame. Leo Witvliet was de vasthoudende pleitbezorger van de ‘moeder aller sporten’. Uit liefde. Daarmee liet hij een stevige voetafdruk achter in de Utrechtse sport.

Misschien had hij in de zomer van 2015 zelf liever in dat vogelnest gezeten, zoals het Olympisch Stadion wordt genoemd. Dat ging echter niet meer, sinds hij in de zomer van 2013 zijn koffer wilde pakken om naar Moskou te reizen om Schippers – zijn protegé en trots – op die WK te zien schitteren op de zevenkamp. Bij het aflopen van de trap met de koffer gevallen en brak daarbij een rugwervel. Sindsdien liep hij met een stok. Leo Witvliet deed er quasi luchtig over: ‘Een lange estafettestok, zeg ik maar.’

 

Atletiek

‘Leo en atletiek, dat was één woord. Hij was overgoten met atletiek,’ aldus Jan van Schaik, die Witvliet al kende in hun tijd bij de Utrechtse Sportraad in de jaren ’60 en later Verenigd Sportbelang Utrecht (VSU), voorloper van het huidige SportUtrecht. Van Schaik maakte van nabij mee hoe geestdriftig en vasthoudend Witvliet voor de belangen van de ‘moeder aller sporten’ opkwam. Zo was hij net zo lang aan allerlei politieke en bestuurlijke jasjes blijven trekken totdat er in Overvecht een kunststofbaan kwam. Hij was pleitbezorger van het trimmen en de running hype, initiator van de marathon in Utrecht en schoolatletiek en hij maakte zich hard voor de topatletiek bij Hellas.

En als Dafne Schippers eens niet Sportvrouw van het Jaar werd in Utrecht, sprak hij leden van de jury aan op hun vergissing. Moest hij niet af en toe worden geremd in die geestdrift? ‘Nou,’ zegt Van Schaik, ‘Leo liet zich niet remmen. Als het tijdens vergadering eens niet over atletiek was gegaan, vond hij dat echt jammer.’ Dat wilde niet zeggen dat hij geen oog had voor andere sporten. Van Schaik: ‘Voor hem was het belangrijk dát je ging sporten. Alleen, dat begon natuurlijk wel bij atletiek, zei hij dan. Niet voor niets de moeder aller sporten.’

Dat Witvliet vasthoudend was, moet volgens Van Schaik als een compliment worden gezien. ‘Hij zat er bovenop. En hij zei ook wel, heel eerlijk, dat hij er af en toe last van had. Want, niet iedereen zag het als plezierig: ‘daar heb je die Leo weer, met z’n atletiek.’ Misschien werd het niet letterlijk gezegd, zo voelde dat wel voor hem.’

Voor hemzelf was die inzet vanzelfsprekend. Hij was, zei hij, uit de tijd dat je dat uit liefde voor atletiek en club deed. De geestdrift uitte zich al in de zomer van 1936, tijdens de Olympische Spelen. Geboren (1927) in de Rotterdamse wijk Bergpolder werd bij Witvliet thuis geluisterd naar de radioverslagen vanuit Berlijn. Zijn vader, werkzaam bij de NS, bracht ’s avonds de kranten mee die de reizigers in de trein hadden achtergelaten. Zo volgden ze het nieuws over de grote Jesse Owens en zijn vier gouden medailles. En op straat sprintten hij en zijn vriendjes over de stoeptegels. ‘Je was Jesse, hè,’ vertelde hij in 2015 in een interview voor de website van de Atletiekunie. ‘De mensen hingen uit de ramen. Hou op, riepen ze, je loopt je nog dood!’ Natuurlijk hadden de jongens daar maling aan.

Plaquette Witvliet bij de atletiekbaan in Overvecht. Foto: Eric Roeske

 

Utrecht

In 1939 verhuisden hij naar Utrecht, vanwege het werk van zijn vader, en werd lid van Hellas. In 1953, pas 26 jaar oud, werd Leo Witvliet voorzitter van die atletiekvereniging. Nadien volgden nog een hele reeks bestuursfuncties – bij de Sportraad, VSU en atletiekbond KNAU – toch zag hij zichzelf meer als doener. Als iemand die dingen voor elkaar bokste. ‘Inventief zijn,’ noemde hij het zelf.

Zo regelde hij in de jaren ’60 dat er in de oude Veilinghal matten werden neergelegd zodat Corrie Bakker, destijds het grote talent van Hellas, in de wintermaanden kon trainen op het verspringen. Zo’n indooraccommodatie bestond destijds niet, het was nieuw. En daarmee had hij een klein aandeel in het wereldrecord dat Bakker met de 4×100-ploeg op de Olympische Spelen van 1968 liep (43,4 seconden). Het kwartet evenaarde de volgende dag in de finale die tijd, maar finishte met een neuslengte buiten de medailles (en raakte zo ook het wereldrecord weer kwijt).

 

Schoolatletiek

‘De top spreekt me aan, daarvan word ik heel enthousiast. Maar het begint allemaal bij de basis,’ zei Leo Witvliet in 2015. En zo was hij grondlegger van de schoolatletiek in dezelfde Veilinghal en op de (toen nog) sintelbaan Maarschalkerweerd. Vanaf 1999 deed Hellas dat met een eigen versie van het Engelse concept van Sportshall Athletics. Vele duizenden schoolkinderen kwamen zo in de loop der jaren met atletiek in contact. Hij was trots dat dat elk jaar weer lukte, met behulp van vele, vaak oudere vrijwilligers. ‘De grijze golf,’ zoals hij die lachend noemde. Nu, bijna een halve eeuw later, zijn (zoon) Bas en Monique Witvliet de drijvende krachten achter de schoolatletiek.

Jan van Schaik kwam er dikwijls kijken, uitgenodigd door Leo Witvliet. ‘Dan was hij blij als een kind over al het enthousiasme. En hij pikte kinderen met talent er zo uit.’ Maar Witvliet ergerde zich ook dat de politiek het belang van goed gymonderwijs niet zag. ‘Je ziet de gevolgen bij de schoolatletiek; kinderen die na veertig meter hardlopen neervallen, zó moe zijn ze.’ Niet voor niets, zei hij, waren het meestal scholen met een vakdocent die de finale haalden. Hij kon er op blijven hameren, het haalde niks uit. Gymonderwijs in Nederland is nog altijd een ondergeschoven kindje.

De aanhouder won wel bij de komst van kunststofbaan Overvecht. Het laatste duwtje kwam er met het binnenhalen van de EK voor junioren in 1981, waarbij een kunststofbaan voorwaarde was. Dat heeft zijn gezin wel geweten, want het eerder gekochte huis aan de Kanaalweg bleef anderhalf jaar leeg staan vanwege de organisatie van dat evenement. Voor de verhuizing was simpelweg geen tijd geweest.

Ze wisten niet anders. Bij de Witvliets thuis draaide het leven om atletiek en Hellas. Leo en Henny leerden elkaar kennen bij de club, de kinderen Maarten, Bas en Heleen groeiden er op. Volgens Leo zelf heeft zijn broer Wim die EJK uiteindelijk gered. Een dag voor het verspringen bleek de afzetbalk scheef te liggen. Wim werkte de hele nacht door om het euvel aan de splinternieuwe baan te verhelpen. De pas 16-jarige Heike Daute sprong vervolgens naar 7.02 meter en werd nadien als Heike Drechsler twee keer Olympisch kampioene.

 

Serie

De een deed het als bestuurder, de ander was een doener. Vaak waren ze hun tijd vooruit, soms juist precies op tijd.
Ze organiseerden, kwamen met ideeën die voor vernieuwing en verandering zorgden.
En zo lieten ze een stevige voetafdruk achter in de Utrechtse sport.

 

Overvecht

Ook nu nog staan ruwweg de helft van alle baanrecords op Overvecht op naam van junioren (vooral uit de DDR), gevestigd in 1981. Niet die van Sergej Bubka overigens, want de latere ‘tsaar van de polsstok’ werd slechts zevende. En zo waren er veel latere grootheden die in 1981 in Utrecht rondliepen. Patrick Sjoberg, Nelli Cooman en Uwe Hohn bijvoorbeeld. Ook de komst van de laatste bezorgde het organisatiecomité het nodige werk; Hohn gooide zijn speer tegen de negentig meter ver, wat zou betekenen dat de speer zich aan de overzijde in het tartan boorde… De vormgeving van de baan werd aangepast en Hohn won inderdaad met 86.56 meter. (Drie jaar later wierp hij in Berlijn zelfs 104.80 meter. Dat wereldrecord was reden voor aanpassing van het zwaartepunt van de speer, waarna er minder ver mee kon worden geworpen.)

‘Overvecht’ was ook de baan waar Witvliet zijn vermaarde rondjes wandelde. Als voorzitter, maar ook na 1993 als erevoorzitter, streek hij zo menig bestuurlijke plooi binnen Hellas glad of haalde hij nieuwe vrijwilligers binnen. Tijdens die rondjes liet toonde hij zich een voorzitter met gezag en overtuigingskracht.

En hij was een man die kansen zag en greep. Toen in de loop van de jaren ’70 een nieuwe rage de kop opstak, was hij er snel bij. Overgewaaid uit Amerika begonnen mensen van alle leeftijden te rennen; ’s avonds na het eten op de openbare weg of op zaterdagmorgen in het bos. Voor zichzelf, los van een club. Al werden ze aanvankelijk vooral meewarig aangekeken en nageroepen (‘ze hebben ‘m al…’), die rage was niet te stuiten.

Een deel van de atletiekverenigingen vond het niks; de ware atletiek hoorde op de baan en dat was dat. Een ander deel omarmde juist die running hype. Zo ook Witvliet. Hij probeerde die ‘wilde lopers’ iets te bieden bij Hellas. Er werden trimgroepen opgericht en trimlopen georganiseerd. En voortgekomen uit de aloude Stadionloop werd vanaf 1977 de UN Marathon gehouden (een samenwerking tussen de Utrechtse politie, Hellas en het Utrechts Nieuwsblad). Eerst op en neer naar Amersfoort, later langs de Vecht vanaf atletiekbaan Overvecht en daarna met start en finish op het Vredenburg.

 

Hellas

De jeugd, de recreanten en de top; het Hellas van Leo Witvliet bood voor elk wat wils. Al deed hij dat natuurlijk niet alleen, hij gaf bij zijn club wel de richting aan. Zo zette hij met Cas Zomer in op een titel bij de clubkampioenschappen. In de jaren ’90 was Hellas er een paar keer dicht bij, maar de hegemonie van het Amsterdamse AAC werd uiteindelijk niet verbroken.

‘Sporten begint bij atletiek’ zei Witvliet vaak. Hij wilde dat zo veel mogelijk kinderen met de sport in aanraking kwamen. Zijn club Hellas organiseert nog altijd nationale wedstrijden, zoals de Hellas Herfstindoor, een meerkamp voor pupillen en individuele onderdelen voor junioren BCD. Foto: Bart Weerdenburg/Utrechtse Sportkrant

Voor die topatletiek ging zijn hart sneller kloppen. Toen hij in 1993 terugtrad als voorzitter, bood Hellas Leo en Henny een geheel verzorgde reis aan naar de WK in Stuttgart. En hoe mooi was het dat ze Bert van Vlaanderen als derde zagen finishen op de marathon, tien jaar na het zilver van Rob Druppers op de 800 meter in Helsinki. Oók Hellas. Enthousiast zwaaiend met de clubvlag, tussen de tienduizenden op de tribunes van het Neckarstadion, werd Van Vlaanderen onthaald. Dochter Heleen: ‘Maar waarschijnlijk zwaaide mijn moeder het meest luidruchtig met die vlag.’

 

Thuis

Zeker toen enkele jaren later Henny overleed, was Leo Witvliet er vaak bij op die internationale toernooien. Maar dus niet in 2013, uitgerekend het jaar dat Dafne Schippers brons pakte op de zevenkamp. ‘Mijn grootste fan,’ zei Schippers later. Vanaf Terschelling, waar de Witvliets een huisje bezaten in Formerum – waar hij verbleef van Oerol in juni tot en met de Berenloop in november – schreef hij haar dikwijls een kaartje ter aanmoediging voor een aanstaand toernooi. Hij volgde haar op de voet, was lyrisch over haar prestaties. En hij zag hoe de animo voor atletiek toenam door haar prestaties. Meisjes wilden Dafne zijn, zoals hij ooit Jesse.

Sinds die val van de trap in 2013 keek Leo Witvliet thuis voor de buis. Zo zag hij Schippers gloriëren op de EK in 2014 (Zürich) en de WK een jaar later (Beijing). Ook moest hij afzien van een verre reis naar Rio de Janeiro in 2016 voor de Olympische Spelen. Voor de tv genoot hij en vaak belde hij met zijn broer Wim, om de prestaties onder de loep te nemen.

Na de marathon, traditioneel op de slotdag van de Spelen, was hij naar buiten gegaan voor een wandelingetje. Nauwelijks honderd meter van zijn woning aan de Kanaalweg was hij opnieuw gevallen. Een dag later overleed hij in het ziekenhuis, 89 jaar oud. In een persoonlijke brief aan de familie prees toenmalig burgemeester Jan van Zanen de betrokkenheid van Leo Witvliet bij de Utrechtse samenleving, met name zijn ‘grote hart’ voor de atletiek. Bij de herdenkingsdienst werd met Leo Witvliet een laatste rondje om ‘zijn’ atletiekbaan Overvecht gemaakt, langs zijn plaquette.

 

Leo Witvliet

Geboren: Rotterdam, 11 mei 1927
Overleden: Utrecht, 22 augustus 2016
Veertig jaar (1953 – 1993) voorzitter Hellas, sindsdien erevoorzitter
Lid Utrechtse Sportraad, lid van de adviescommissie VSU, lid van afdeling Utrecht KNAU
Koninklijk onderscheiden (1978)
Lid van Verdienste (1993) bij de Atletiekunie.
In Utrecht onderscheiden met de Speld van de Stad Utrecht en de Sportpenning.
Bijzonderheden: stichter van de schoolatletiek in Utrecht, grondlegger van de UN Marathon.