Meer spelen op zondag geeft lucht

Hockey Robert Jan van der Horst

Er dreigt een tekort aan velden bij regionale hockeyclubs. De ambities van de KNHB om hockeyleden uit te breiden houdt geen gelijke tred met het aanbod van velden.

Een persbericht van 25 januari 2014. ‘Eén van de doelstellingen van de KNHB is om het huidige aantal van 241.202 hockeyleden uit te breiden naar 1 miljoen fans door het aanbod te verbreden en de huidige hockeyers langer verbonden en betrokken te houden bij de sport.’

Een loffelijk en ambitieus streven van de KNHB, de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond. Maar houden de ambities gelijke tred met het aanbod aan velden? Want anno nu, september 2016, blijkt dat er vooral veel meer gehockeyd wordt in de stad Utrecht en de directe regio. En die laatste bestrijkt weer het verspreidingsgebied van de Utrechtse Sportkrant: Utrecht, De Bilt, Zeist, Nieuwegein, Houten, Bunnik, Montfoort, Stichtse Vecht, IJsselstein, Houten, Woerden en Vianen. Van de in totaal 21.555 actieve hockeyers komen er 8.191 uit de stad Utrecht, zo’n 38% (bron Mulier Instituut 2016).

Volgens de vraag-aanbodanalyse die het in Utrecht gevestigde instituut begin dit jaar, op verzoek van de gemeente maakte, dreigt in 2020 op de zaterdag een tekort van 4,1 velden, in 2025 van 5,8 velden en in 2035 van 7,6 velden. Op de zondag daarentegen zou een overcapaciteit ontstaan van respectievelijk 5,5 velden (in 2020), 5,2 velden (2025) en 5,0 velden (2035).

Het onderzoek van het Mulier Instituut, gebruikt voor de sportnota (2017- 2020) van Utrecht, beperkt zich in eerste instantie tot de stad. Ingenieur Karin Wezenberg-Hoenderkamp, werkzaam bij het Mulier Instituut – dat sociaal wetenschappelijk sportonderzoek doet -, deed met collega Björn Schadenberg naspeuring naar de veldencapaciteit in de stad Utrecht, die vijf hockeyverenigingen telt: Kampong, Zwaluwen, Fletiomare, UNO en Rijnvliet. Utrecht Noord Oost (UNO) – vorig seizoen nog trainend op de velden van USV Hercules, maar nu spelend op de kunstgrasvelden van studentenvereniging USHC in de Uithof -, en Rijnvliet, dat direct met honderden leden flitsend uit de startblokken schoot, zijn de twee nieuwste clubs.

Kampong en Zwaluwen komen toe met de huidige accommodatie, terwijl Fletiomare op dit moment een tekort van één veld heeft. Niet alarmerend dus, maar desalniettemin een punt van aandacht, aldus Wezenberg. ‘Bij Fletiomare ontstaat het tekort vooral op zaterdag, maar als je kijkt naar de cijfers voor de zondag bij deze vereniging, dan is er op zondag juist nog ruimte op de velden.’
De voorgaande cijfers zijn sprekend, maar hoe komt het Mulier Instituut eigenlijk aan de berekening en prognose ervan? Dat gebeurt via een zogenaamde bevolkingsontwikkelingsmethode, prachtig Scrabblewoord overigens. Wezenberg: ‘We baseren ons op de cijfers van een aantal instanties: het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), voor de (regionale) cijfers over de bevolkingsontwikkeling, de gemeente Utrecht voor de demografische ontwikkeling binnen Utrecht en voor de situatie van de veldencapaciteit en de KNHB voor het aantal teams van de hockeyverenigingen.

Een duidelijke reden overigens voor de groei van het hockey heeft Wezenberg, zelf woonachtig in IJsselmuiden (nabij Kampen), niet. ‘Als ik op persoonlijke titel spreek, dan heeft de groei mijns inziens te maken met de mondiale ontwikkeling van de hockeysport, het verminderende elitaire imago van de sport en de discipline ervan. Je hoort zelden of nooit dat er sprake is van relletjes.’

Terug naar het rapport, dat tevens laat zien waar de achterban van de Utrechtse clubs is gehuisvest. We pikken de cijfers eruit die het meest in het oog springen. Bij Fletiomare komt 90,2% van de leden uit Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern, bij Rijnvliet is dat (in april 2016) slechts een fractie meer met 90,3%. UNO heeft z’n leden, 77,7%, vooral in de wijken Noord-Oost (onder meer Tuindorp, Tuindorp Oost, Tuinwijk en Overvecht), Kampong leunt wat minder zwaar op de oostkant van de stad met 35,8%, terwijl Zwaluwen geworteld lijkt in West (Kanaleneiland, Hoograven) met 42,8%. Opvallend is verder dat bij hockeyclub Voordaan (Groenekan/De Bilt) 59% van de leden uit Utrecht komt.

De statistieken geven niet uitsluitend inzicht in de te verwachten veldbehoefte, maar kennen ook uitkomsten waaraan conclusies kunnen worden verbonden voor zaken als infrastructuur, aldus Wezenberg. ‘Bij clubs als Fletiomare, Zwaluwen en UNO bijvoorbeeld woont het grootste gedeelte van jongste jeugd en junioren op minder dan drie kilometer van de club. Daar kun je via een goede infrastructuur op inspelen: goede fietsverbindingen en optimale straatverlichting. Bij Rijnvliet moeten veel leden verder reizen (drie kilometer of meer), daar kun je dan weer denken aan de aanleg van voldoende parkeergelegenheid.’

Het zijn gegevens die objectief zijn.

‘Cijfers liegen niet, maar moeten wel op de juiste manier geïnterpreteerd worden’, aldus Wezenberg. En prognoses kennen altijd ook een zekere mate van onzekerheid. ‘Op basis van de CBS-gegevens zijn we uitgegaan van een groei naar 400.000 inwoners van de stad (nu 320.000) in 2035, dat is een groei van 19%. De groei van het aantal hockeyers zal op een gegeven moment gaan afvlakken, maar wanneer en hoe sterk, dat is lastig te voorspellen’

Advies om het te verwachten veldentekort te lijf te gaan, heeft Wezenberg, afgestudeerd in geodesie (landmeetkundige discipline, maar gespecialiseerd in ruimtelijke vraagstukken), wel. ‘Als ik nog even terugkom op de situatie bij Fletiomare en Rijnvliet dan zie je onevenwichtige uitkomsten. Op zaterdag is de druk op de velden zo groot dat er tekorten zijn, terwijl op zondag een deel van de velden niet volledig gebruikt hoeft te worden.’

De KNHB is al gestart met zondagcompetities en dat zal een deel van de oplossing zijn, denkt Wezenberg.Maar ook verder kijken dan je eigen vereniging of sportpark is nodig. Laatst hebben we de uitkomsten van een vergelijkbaar onderzoek gepresenteerd bij de clubs. Dan zijn ze het in eerste instantie niet altijd met onze conclusies eens. Maar als je dan verder praat en inzicht geeft in de situatie op alle sportparken op zaterdag en zondag, dan ontstaat er inzicht en komt er ruimte voor oplossingen. Als je dan zegt dat niet iedereen op zaterdag- of zondagmiddag kan sporten, dat je dus niet altijd kunt sporten op het moment dat het jou uitkomt, dan dringt het besef door. Dat geldt in het tennis, maar ook in het voetbal of hockey. Hoe krijgen we het zo fijn mogelijk voor elkaar, daar draait het, wat mij betreft, om.’