Na Rio en Tokio staat Parijs op de planning

Openwaterzwemmen Ted van der Meer

Het is zaterdagavond, 18.00 uur. De telefoon rinkelt of piept op het vliegveld van Barcelona. Sharon van Rouwendaal neemt op. Ze heeft net een vakantie en een zwemwedstrijd achter de rug. De afspraak: een gesprek over haar gouden (2016) en zilveren (2021) medaille op de 10 kilometer open water. Een gesprek op afstand. ‘Hoi, leuk dat we elkaar spreken. Maar het kan zijn dat we wat gestoord worden door het lawaai hier op het vliegveld’, was haar eerste zin. Het viel wel mee met die herrie.

Maar ideaal was het ook niet. Ze is in Baarn, mijn voormalige woonplaats, geboren. Dat zou een klik moeten opleveren.
Sharon lacht: ‘Het klopt dat ik geboren ben in Baarn, maar dat is dan ook alles. Mijn moeder beviel van mij in het ziekenhuis. Wij woonden in Soest, naast Baarn. Daar heb ik trouwens maar acht jaar gewoond. Mijn broer en zus zaten op zwemmen. Toen ik 5 was zei mijn moeder: misschien moet jij ook op zwemmen gaan. En dat gebeurde natuurlijk ook.’

Wat gebeurde er toen je 8 was?
‘We verhuisden naar Frankrijk, naar de Dordogne. Het was natuurlijk wel even wennen, maar ik heb daar erg naar mijn zin gehad. Ik ben op mijn 14e meer gaan trainen. Ik werd professioneel, wilde alles op zwemmen zetten.’

Sharon was al snel een fenomeen. Op haar vijftiende verbeterde ze een 30 jaar oud record van Annelies Maas op de 1500 meter vrije slag. Niet lang daarna ging er nog een record aan: de 400 meter wisselslag. Het was geen verrassing, dat ze niet lang daarna ook nog eens twee nationale titels opeiste: de 800 en 1500 meter vrije slag. En tijdens het jeugd-EK kwamen daar nog eens vier medailles bij. Eén keer goud en drie keer zilver. Ze verbeterde ook haar eigen 1500 meterrecord.

Je was dus een supertalent.
‘Nee, zo zie ik dat niet. Ik was zo goed omdat ik enorm gedisciplineerd was. Ik werkte hard, deed wat de trainers vroegen.’

Je hebt lange tijd in het zwembad gezwommen voordat je overstapte op het open water. Je hebt heel veel prijzen gewonnen. Wat is je beste prestatie?
‘Toen ik 17 was, vond ik het heel bijzonder dat ik op mijn eerste WK, in Shanghai, brons won op de 200 meter rugslag. Maar over het allermooiste moment hoef ik niet te twijfelen. Dat was mijn zilveren medaille op de 400 meter vrij in 2015, in Kazan (Rusland). In de finale werd ik met een Nederlands record tweede achter Katie Ledecky. Zij was de wereldrecordhouder.’
Op datzelfde WK dook ze ook in het buitenwater. En met eclatant succes. Sharon won twee zilveren medailles. Eén op de individuele 10 km (waardoor ze zeker was van deelname aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro in 2016). De tweede medaille kwam tot stand via de landenwedstrijd op de 5 km met Marcel Schouten en Ferry Weertman.

Dan hapert onze verbinding even. Als we weer contact hebben kom ik terug op Barcelona. Ze legt uit dat ze terug is van vakantie en een 10 kilometerwedstrijd die ze niet won: ‘Het ging 7,5 km super maar toen was m’n energie op. Daar heb ik geen probleem mee hoor. Het zijn geen wereldkampioenschappen of Olympische Spelen!’

Je hebt veel met Barcelona.
‘Dat heeft te maken met mijn gouden medaille. Eind 2015 had ik veel last van mijn schouder. Ik voelde steken die uitstraalden naar mijn arm. Het was zo ernstig dat mijn trainer er geen vertrouwen meer in had. Ik stond daar anders in. Ik ben een doorzetter. Wilde per se naar Rio. Ik kreeg de tip dat er in Barcelona een geweldige fysiotherapeute was, Monica. Ik reed acht weken lang heen en weer om me door haar te laten behandelen. Het was 7 uur rijden, maar dat had ik er wel voor over. En het heeft gewerkt!’

Wat zul je een stress gehad hebben vóór Rio.
‘Eigenlijk niet. Ik zat in een flow of zo. Had maar één doel: het allerbeste uit mezelf halen Dat is gelukt. De stress kreeg ik pas later. Toen kwam alles eruit.  Achteraf gezien ben ik er best trots op. In topsport moet je tot het gaatje gaan, zo simpel is het.’

In Tokio won je zilver. Je leek niet teleurgesteld dat het goud aan je voorbijging.
‘Ik sta er juist positief in. Na het goud van Rio op mijn nachtkastje kon ik een extra medaille mee naar huis nemen! Ik was er heel blij mee. Vergeet niet, het was vijf jaar ná Rio. Ik hoorde tot de medaillekandidaten, maar was lang niet de enige. Als ik volle bak was gaan zwemmen, had ik mezelf kunnen opblazen. Dus ben ik tactisch gaan zwemmen, ook om de aandacht van anderen weg te nemen. Stapje voor stapje kroop ik naar voren. Ik was er bijna, maar het lukte me net niet.’

De komende Spelen zijn in Parijs. Jouw onderdeel vindt plaats in de Seine. Jij bent een halve Française. Mooier kan niet. Ga je daar meedoen?
‘Dat is wel de bedoeling. Maar je moet altijd aan de kwalificatie-eisen voldoen. Daar ga ik me op richten.’

Je hebt zeven jaar doorgebracht in een keihard Frans regime. Alles staat daarover te lezen in je boek BRUUT. Waarom koos je daarna voor Maagdenburg?
‘Voordat ik daar naartoe ging, kende ik al veel Duitse zwemmers. Ik had ze ontmoet bij stages in Frankrijk. Dan kon ik ook bij mijn vriend zijn. Het was dus wel een beetje dubbel. Maar ik was echt benieuwd naar de Duitse aanpak. Ik had van een vriend gehoord dat het zwaar was. De trainingsaanpak van de Duitse coach beviel me erg goed, daarom ben ik naar Maagdenburg gegaan. Overigens was de relatie met mijn vriend toen al voorbij.’

Twee korte vragen nog. Kun je leven van het zwemmen?
‘Dat wel. Maar het is geen vetpot. Een olympische medaille levert een mooi bedrag op. En ik krijg als topsporter maandelijks een uitkering van NOC*NSF. Helaas is open water zwemmen niet zo populair. Er zijn in Nederland nauwelijks sponsors te vinden. Dat is niet overal zo. In Frankrijk en Duitsland kun je wel een aardig centje verdienen.’

Tenslotte, hoe kijk je tegen het Nederlandse zwemmen aan?
‘Zorgelijk. Er zijn veel oudere zwemsters van wie je niet veel meer mag verwachten. De KNZB moet vol inzetten op jonge talenten. Die zijn er altijd. Ik hoop dat het goed komt.’