Omgaan met druk valt niet mee, blijkt uit olympische terugblik

Varia Hans van Ommeren

Nu het normale sportleven zich geleidelijk begint te hervatten – voor zover dat mogelijk is in coronatijd – kan de Utrechtse balans in Tokio worden opgemaakt. Wie hebben de hooggespannen olympische verwachtingen waargemaakt en wie zijn daar (ver) onder gebleven? Duidelijk is wel dat de roze bril van de Utrechtse Sportkrant wel erg roze gekleurd was. Van de 13 medailles die voorspeld werden zijn er uiteindelijk slechts 5 gerealiseerd.

Een jaar geleden zou niemand Femke Bol getipt hebben als medaillekandidaat op de Spelen, enkele maanden geleden was de stemming al compleet omgeslagen. En de 21-jarige Amersfoortse maakte het waar. Ze was de drijvende kracht in de estafetteteams van de 4×400 meter vrouwen en 4×400 meter gemengd, al vielen die (net) niet in de prijzen. Maar op haar lievelingsnummer de 400m horden scoorde ze wel degelijk. Het brons had een gouden glans met een nieuwe Nederlandse toptijd en met twee Amerikaanse concurrentes die zelfs onder het oude wereldrecord liepen.

Met zilver deed ook langeafstandzwemster Sharon van Rouwendaal het uitstekend. Het waren extreme omstandigheden met warm, smerig water, maar zoals gewoonlijk haalde de Baarnse er het maximale uit op de 10 km.

 

Revanche

Individueel uitblinker was evenwel Annemiek van Vleuten. Zilver in de wegwedstrijd – even dacht ze zelfs aan goud, maar ze bleek een renster over het hoofd gezien te hebben – werd gevolgd door goud op de tijdrit. Het was de ultieme revanche voor de in Vleuten geboren wereldtopper die vijf jaar geleden in Rio zo dramatisch ten val kwam.

Jan-Willem van Schip had maar wat graag een olympische plak veroverd. De Schalkwijker was er ook twee keer dicht bij, maar een beetje geluk en enkele foute inschattingen op het o zo moeilijke omnium leidden ertoe dat hij het podium op een haar miste. Een beetje pech gold in zekere zin ook voor beachvolleyballer Robert Meeuwsen. De Nieuwegeiner werd met Alexander Brouwer al in de achtste finales uitgeschakeld, maar dat gebeurde wel door de Noren Anders Mol en Christian Sørum, de latere winnaars van het goud. Celine van Duijn uit Amersfoort haalde de finale van het torenspringen (tiende) en dat was bondscoach Edwin Jongejans een omhelzing waard. Een tevreden gevoel was er ook bij triatleet Jorik van Egdom uit Veenendaal die met het gemengde estaffeteteam dicht in de buurt van de medailles eindigde (vierde).

 

Teleurstellingen

Daar stonden fikse teleurstellingen tegenover. Niet zozeer van de wegrenners Wilco Kelderman en Dylan van Baarle (ze waren niet favoriet en lieten zich wel gelden), ook niet van de skateboaders Keet Oldenbeuving (piepjonge debutante) en Roos Zwetsloot (prima met een vijfde plaats in de finale), maar wel van beachvolleybalster Madelein Meppelink uit Rhenen (geen enkele wedstrijd gewonnen), atlete Dafne Schippers wier fysieke klachten te groot bleken, en judoka Noël van ’t End die zo graag in de voetsporen van Anton Geesink had willen treden. De Houtenaar haalde niet het niveau van zijn wereldtitel in 2019 en ging voortijdig ten onder. En waar was zwemmer Jesse Puts? De 50m vrije slag specialist uit Utrecht kwam nog wel door de series, maar sneuvelde roemloos in de halve finale. Ook amazone Janneke Boonzaaijer uit Renswoude zal meer van haar olympische optreden verwacht hebben dan diskwalificatie op de cross, na een wel succesvolle dressuurproef.

 

Hockeyvrouwen top

Bij de teamsporten viel de oogst over het algemeen tegen. De hockeyvrouwen voldeden aan de torenhoge verwachtingen en rekenden en passant af met een trauma van vijf jaar geleden. In de halve finale kreeg Groot-Brittannië, de olympisch kampioen van Rio, een oorvijg van jewelste (5-1). In de finale liet Oranje mede dankzij twee treffers van Caia van Maasakker (van SCHC) ook de oude rivaal Argentinië kansloos. Tegenover het dikverdiende goud van de vrouwen stond de treurige aftocht van de mannen. Ging het in de groepsfase al moeizaam, in het eerste het beste knock out-duel tegen Australië viel het doek. Maar ook de waterpolosters en handbalsters, met een aardige inbreng uit de provincie Utrecht, strandden ver voor het beoogde doel. De vrouwen dubbelvier, met Inge Janssen van de Utrechtse roeivereniging Orca, had op meer gehoopt dan de zesde plaats in de finale.

Dat gold ook voor de voetbalsters, al was de regerend wereldkampioen natuurlijk wel een hobbel van formaat. Maar als Shanice van de Sanden en Sari van Veenendaal een kans hadden Amerika te verslaan was het wel in Tokio. Nu werd de kwartfinale na een verloren strafschoppenserie het eindstation en dat deed pijn.

Pieken op het juiste  moment, het kunnen omgaan met druk, er zijn zoveel factoren die invloed hebben op het wel of niet slagen op mondiaal niveau. Over drie jaar krijgt een aantal sporters uit de regio Utrecht een herkansing in Parijs.