Sportakkoord in Amersfoort: ‘Progressie is het toverwoord’

Beleid Redactie

Net als alle andere steden in Nederland werd ook Amersfoort eind 2018 geacht om de organisatie en de financiën van de sport onder het sportakkoord toekomstbestendig te maken en zouden in de Keistad sport, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties meer samen moeten gaan werken om de doelen van het sportakkoord te behalen. In deel twee in de serie 'Werkt het sportakkoord? Een tussenstand' komt vandaag de tweede stad uit onze provincie aan bod.

Net nadat Amersfoort in 2018 de nieuwe sportnota 2019-2024: ‘Amersfoort in beweging’ geïntroduceerd had, kwam de landelijke overheid met de richtlijn ‘het nationale sportakkoord’. Met de sportnota wilde het Amersfoortse college bereiken dat sport en bewegen aantrekkelijk, toegankelijk en bereikbaar zou worden voor alle inwoners van de stad. Door onder meer sportverenigingen te ondersteunen en te zorgen voor een actueel sportvoorzieningenaanbod, dat mee zou groeien met de stad en de sportbehoefte van Amersfoorters, zou deze nota ingevuld moeten worden.

In Amersfoort was al geruime tijd sprake van de zogenoemde sport-driehoek, bestaande uit de Amersfoortse Sport Federatie (ASF), Sport, Recreatie en Onderwijsvoorzieningen (SRO) en de gemeente Amersfoort. Een uitbreiding van dit netwerk was onder het sportakkoord zeer zeker welkom, maar om inhoudelijk van de sportnota af te gaan wijken zou echter niet logisch zijn geweest. Dat meent Frans Prins. De Amersfoorter was in 2018 aangetreden als voorzitter van de ASF, en zat dáárvoor acht jaar als raadslid voor GroenLinks en woordvoerder Sport en Mobiliteit in de gemeenteraad. In de sportnota waren aandachtspunten benoemd die belangrijk waren voor de stad. Prins: ‘Als wij dan ineens onder de noemer sportakkoord nieuwe actiepunten zouden opsommen, zouden we ons werk niet goed gedaan hebben. Gelukkig konden we onze eigen speerpunten goed kwijt in de bestaande pijlers van het nationale sportakkoord.’

 

Partners

Wel werden de samenwerking met partners zoals de Stichting Wijkteams Amersfoort, Indebuurt033, de GGD-regio Utrecht en het Amersfoorts onderwijs versterkt. Onafhankelijk van elkaar streefden deze instanties hetzelfde doel al na: bewegen als belangrijk onderdeel van een gezonde, actieve leefstijl voor alle inwoners van Amersfoort. De partners traden toe tot een kernteam en startten in januari 2020 een traject van enkele maanden. Iedereen leverde input op de eigen expertise waarna er een prioriteitenlijst opgesteld werd. In april van datzelfde jaar lag er een eindrapport Sport- en Beweegakkoord Amersfoort waarin drie ambities ‘Inclusief Sport & Bewegen’, ‘Vitale Sportaanbieders’ en ‘Van jongs af aan vaardig in bewegen’ werden uitgewerkt met bijbehorende actiepunten.

Die drie pijlers bieden de stad kansen, vindt Prins. Er komt financiering, denkkracht en inzet van het Amersfoortse netwerk vrij om meer te doen dan eerder mogelijk was. En dat biedt niet alleen kansen voor sportverenigingen en hun sporters, maar ook bedrijven, inwoners en (maatschappelijke) organisaties plukken er de vruchten van.

 

Norm

En resultaten zijn nodig. Met circa 152.000 inwoners is Amersfoort de tweede stad van de provincie Utrecht en zijn grootstedelijke uitdagingen hen niet vreemd. Zelf een actieve sporter – Prins voetbalt, loopt hard en doet aan fitness – is hij van mening dat de Amersfoorters eigenlijk niet genoeg aan sport doen. ‘Ik gun het iedereen om lekker te sporten. Het is zo veel meer dan een beetje bewegen; het verhoogt je weerstand, verbetert je humeur maar je leert ook nieuwe mensen kennen. Dat is goed voor je netwerk.’

Maar ook in de Keistad wordt te weinig bewogen of zelfs helemaal niet. En dat moet veranderen, als het aan Prins ligt. ‘De oude nationale beweegnorm van vijf dagen per week, dertig minuten per dag, is natuurlijk veel te weinig. We zouden veel meer moeten doen en ook al van jongs af aan.’

Volgens de nieuwe norm zouden volwassenen ook nog tweemaal per week aan spier- en botversterkende activiteiten moeten doen. Voor kinderen ligt die norm op twee tot drie keer per week. En dat betekent dus naast lopen en fietsen, daadwerkelijk een sport beoefenen. Daar schort het vaak aan en om die reden streeft de ASF naar een laagdrempelig beleid; niet om de inactieve groep af te schrikken, maar juist om die in de goede richting te bewegen.

Net als in veel andere steden beweegt een grote groep jongeren boven de twaalf jaar ook in Amersfoort te weinig en zijn ze zeer moeilijk aan het sporten te krijgen. Met beweegvriendelijkere speeltuinen voor de jongsten en een naschools sport- en beweegaanbod voor de pubers hoopt de stad daar verandering in aan te brengen. Dat bestaat uit klassieke verenigingssporten, maar ook uit urban sporten als skaten, BMX crossen, freerunnen of breakdance. En de resultaten daarvan zouden op de lange termijn zichtbaar moeten zijn in het beweeg- en sportniveau van de Amersfoorters.

 

Amersfoort wil via ‘bewegen’ naar ‘sporten’

 

Topsport

Maar de toppers vragen eveneens om aandacht en de vraag is hoe Amersfoort zich als sportstad wil positioneren. Met landskampioen BSC Quick dat al jarenlang op topniveau honk- en softbal speelt, het zwemcluster dat zich verenigt in sportcomplex Amerena, tennisvereniging Alta, badminton en tafeltennis heeft de stad weliswaar een goed sportniveau in huis, maar de grootte van de stad heeft de belofte van (meer) topsport in zich.

Daarin staan de clubs echter alleen, zij moeten zelf zorgen voor de promotie van hun sport en het aantrekken van talent. Het ontbreken van de pijler ‘Topsport’ in het stedelijke sportakkoord, is dan ook veelzeggend. Prins: ‘We hebben de ambitie wel om sporters aan ons te blijven binden. We willen graag meer variatie, een hogere frequentie van trainingen en op sommige plekken betere trainers, maar dat is momenteel niet haalbaar.’ De ASF-voorzitter ziet dan ook dat zijn stad vooral bij de grotere sporten als hockey en voetbal weinig uitdaging biedt voor sporttalenten. ‘Graag zouden wij die jeugd natuurlijk wat meer willen bieden. Als zij naar een hoger niveau willen doorstromen, wijken ze nu bijna altijd uit naar Utrecht of andere gemeenten. Dat is jammer, maar we moeten keuzes maken. We kunnen niet iedereen bedienen.’

De ambitie reikt momenteel niet veel verder dan mensen eerst in groten getale te laten bewegen. ‘En van bewegen komt sporten. Maar de drempel moet laag liggen en daarbij is progressie het toverwoord. Zodra mensen sterker, sneller en fitter worden, willen ze meer. Maar dat niveau hebben we echt nog niet bereikt.’

 

Organisatie

In 2020, het eerste jaar van het Amersfoortse sport- en beweegakkoord, zijn projecten als Sportvrienden, de MQ-scan en het Platform Sport- en bedrijven ontstaan. Binnen deze projecten is er aandacht voor het meten van motoriek van kinderen, sportmaatjes regelen voor jongeren en wordt een actieve samenwerking tussen clubs en bedrijven gezocht. Tevens verdient het project ‘Wandelen Met De Dokter’ aandacht. In kleine groepen gaan deelnemers in een veilige omgeving met fysiotherapeut, diëtist en huisarts bewegen. Vaak in de vorm van een ochtendwandeling.

De stad realiseert zo zijn beweegdoelen langzaam maar zeker. Voorzitter Frans Prins is van mening dat er wel meer gerealiseerd had kunnen worden in de achterliggende periode. Sport is weliswaar ‘op de kaart gezet’ maar mede door coronamaatregelen blijkt de uitvoering vaak lastig. Meerdere projecten zitten nu nog in de pijplijn en zullen de komende maanden naar verwachting nog het levenslicht zien. De stad zal wel een eindsprint in moeten zetten om de doelen te behalen en de vraag is wie dat moet gaan doen.

Prins (56), in het dagelijks leven hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, vult, net als de rest van het zeskoppige ASF-bestuur, de functie vrijwillig in. ‘Ik zie mezelf als een lobbyist’, zegt hij. De vraag dringt zich op of een grote stad als Amersfoort, toch in inwoneraantal de vijftiende stad van Nederland, geen grotere professionele sportorganisatie zou moeten hebben. De SRO houdt zich bezig met de exploitatie van sportaccommodaties en sportstimulering. Zouden daar geen extra taken bij moeten komen om sport structureel op de agenda te houden? Of zou het aantal FTE uitgebreid moeten worden? Prins reageert, enigszins voor het blok gezet, wat terughoudend. ‘Tja, dat zouden we wel willen’. Dan, zichzelf herstellend, ‘maar dat komt nu nog wat te vroeg. Mede door corona heeft de uitvoering van het sport- en beweegakkoord vertraging opgelopen. We beginnen nu wel de eerste resultaten van de initiatieven te zien en kunnen ons voorzichtig gaan afvragen waar we naartoe willen; hoe ziet de langetermijnvisie er voor de sport in Amersfoort uit en wat bekent dat voor de sportaccommodaties in onze stad?’

Na 1 januari 2023 valt de subsidie vanuit de landelijke overheid weg en moeten de steden zelfstandig uitvoering gaan geven aan de actiepunten binnen het nationale sportakkoord. Prins ziet de gelden, door de overheid van het label ‘investering’ voorzien, als een aanjager. Binnen afzienbare tijd zou daar beleid van gemaakt moeten worden. Maar met vrijwilligers die er enkele uren per week aan kunnen besteden, is dat niet eenvoudig voor elkaar te krijgen.

Partner SRO heeft wel vaste medewerkers in dienst, zo ook enkele buurtsportcoaches die een groot deel van de uitvoering van het gemeentelijke sportbeleid rond de kwetsbare inwoners op zich nemen. Een Amersfoortse belangenbehartiger, zoals de stad Utrecht die heeft in SportUtrecht, zou een interessante optie zijn en potentieel grote meerwaarde voor Amersfoort kunnen hebben. Na een fusie in 2018 is SportUtrecht naar eigen zeggen ‘hét aanspreekpunt voor sportstimulering, verenigingsondersteuning, belangenbehartiging, topsport & talentontwikkeling en promotie van sport’. Met circa 100 werknemers in vaste Utrechtse dienst is de tegenstelling met kleinere broer Amersfoort groot. Een uitgebreidere professionele organisatie, waarin meerdere partners samenkomen, zou een volwaardig uitvoeringsprogramma van het Amersfoortse sportbeleid kunnen dragen, waardoor het effectiever kan zijn en meer kan opleveren.

 

Resultaat

Of het sportakkoord daarbij helpt is de vraag. Prins: ‘Het kernteam dat we hebben kunnen samenstellen is erg waardevol. We zijn nu in staat sport in de stad op een andere manier te organiseren. Ook geeft het akkoord ons een extra zetje, waardoor we makkelijker invulling kunnen geven aan projecten en nieuwe dingen kunnen initiëren.’

Maar of die initiatieven op de lange termijn het gewenste resultaat, of impact, opleveren zal de toekomst moeten uitwijzen. De Hogeschool Utrecht is aangetrokken om effectmetingen van de projecten te doen. De resultaten daarvan zijn uiteraard nog niet bekend, maar Amersfoort streeft er naar deze op termijn in beleid om te zetten. Meer en meer komen de samenwerkende partners er achter dat hun domeinen aan elkaar verbonden zijn en dat ze veel verschil kunnen maken met het geld dat er voor vrij komt. Amersfoort blijft dus in beweging, maar wel met kleine stapjes.