Jan Jaap Janse: ' De schaaksport is een wereldwijde sport en niet typisch Nederlands.' Foto Jeroen Stoops/Utrechtse Sportkrant.

Promotie schaaksport begint bij basisonderwijs

Denksport Schaken Ted Vermeulen

Ogenschijnlijk speelt de regio Utrecht een bescheiden rol in de nationale schaaksport. De realiteit is toch wel anders. Alleen de stad Utrecht telt al vijf grote schaakverenigingen. Bij de verenigingen Oud Zuylen Utrecht (fusieclub Oud Zuylen en sc Utrecht), Paul Keres, Moira Domtoren, usc De Rode Loper en Magnus Leidsche Rijn (gespecialiseerd in jeugdschaken) zijn zo'n 600 á 700 wedstrijdschakers actief. Verder zijn er nog enkele kleine verenigingen en andere initiatieven om de schaaksport ‘naar de mensen te brengen’.

Zo werd er vorig jaar een openlucht-schaakbord geopend op het, hoe kan het ook anders, Grootmeesterplein in Schaakwijk, onderdeel van de wijk Zuilen in Utrecht, en was de schaaksport ook vertegenwoordigd bij de afsluiting van de Nationale Sportweek in het Griftpark te Utrecht.

Uniek is dat een schaakliefhebber één van de speellokalen in zijn woonwijk zonder enige verplichting kan binnenlopen voor een partijtje tegen één van de aanwezigen. Ook kreeg de Utrechtse schaaksport een enorme  impuls van het Tata Steel toernooi ( voormalige Hoogovenschaaktoernooi), dat in het kader van de Utrechtse schaakweek op 27 januari 2016 een dag haar tenten had opgeslagen in het Spoorwegmuseum. Veertien grootmeesters speelden hun partijen tussen de oude locomotieven, waaronder de 3737, de laatste stoomlocomotief van de NS.

Die partijen werden door 350 kinderen en liefst 3000 toeschouwers bezocht. ‘Maar de bron ligt toch wel bij het basisonderwijs’,  zegt Jan Jaap Janse, voorzitter van STIBUS, Stichting Bevordering Utrechtse Schaaksport.

‘Op vele Utrechtse basisscholen staat schaken op het lesrooster. Die lessen worden gegeven door professionele schaakdocenten en worden in dat geval ook door de school gefinancierd. Op basisscholen, waar geen schaken op het lesrooster staat, is de mogelijkheid om middels buitenschoolse opvang (BSO) les te krijgen. In dat geval zijn de kosten in den regel voor de ouders.’

Ter verbetering van het niveau van de jeugdige schaker wordt het Utrechts kampioenschap voor scholen georganiseerd. Aan de voorrondes nemen honderden jongens en wat minder meisjes deel, van wie er 32 doorgaan naar de finaleronde.

Uit zo’n kweekvijver moet toch talent voortkomen? ‘Jazeker’, reageert Janse, ‘ maar het is ook zo dat een flink deel van de schakers na het verlaten van het basisonderwijs, de schaaksport de rug toekeert, om op latere leeftijd als verdienstelijk huisschaker de denksport weer op te pakken. Maar natuurlijk komen de echte talenten bovendrijven. Op dit moment gaat de aandacht uit naar Joris Kokje (15), Hugo ten Hertog (22), en in het bijzonder Casper Schoppen (14).’

 

Visualiseren

Het Utrechtse supertalent bezit basiseigenschappen als een goed geheugen en scherp kunnen visualiseren. Schoppen, inwoner van de Utrechtse Vogelenbuurt, werd vier jaar geleden Nederlands kampioen tot en met 10 jaar door al zijn partijen te winnen en een jaar later kampioen tot en met 12 jaar, waarbij hij slechts één remise moest toestaan. Schoppen heeft daardoor al aan diverse Europese kampioenschappen meegedaan. Ook deed hij mee aan de 79e editie van het Tata Steel toernooi, ook wel het ‘Wimbledon van het schaken’ genoemd, dat onlangs in Wijk aan Zee werd gehouden. Zijn vader Hajo Schoppen begeleidt hem bij dergelijke evenementen.

Schoppen presteerde het om in de top-tienkamp, het hoogste amateurniveau in een groep van 10 wereldtalenten, zesde te worden. Het tekent zijn mentaliteit dat hij niet bijster onder de indruk was van zijn prestatie. Hij had de groep namelijk graag willen winnen.

De schaaksport kent vele titels. Het hoogst haalbare is grootmeester (GM), gevolgd door internationaal meester (IM) en daarna FIDE-meester. FIDE staat voor de internationale schaakfederatie.

Casper Schoppen heeft nog slechts één resultaat nodig om de titel van internationaal meester (IM) voor het leven te mogen dragen. ‘Ja’, zegt Janse, ‘Casper is een uitzonderlijk talent. Hij besteedt dagelijks uren aan zijn sport en traint wekelijks met grootmeester Dimitri Reinderman ( oud-Nederlands kampioen). Dat gaat driemaal per maand via Skype of Playchess en éénmaal komt Reinderman bij Schoppen thuis voor een training van een uurtje of drie.’

Maar hoe combineert Schoppen dat met zijn school- en huiswerk? Janse:  ‘Casper zit op het Leidsche Rijn College en dat is een LOOT-school (Landelijke Organisatie Onderwijs en Topsport).’ Als zo’n school bij de Stichting LOOT is aangesloten, dan krijgt het topsporttalent dagelijks de gelegenheid om zich met zijn/haar sport bezig te houden. De Stichting LOOT bestaat al ruim 25 jaar en heeft tientallen topsporters voortgebracht. Voorbeelden van topsporters, die leerling waren op een LOOT-school zijn de Utrechtse atlete Daphne Schippers, maar onder meer ook turner Epke Zonderland, zwemster Ranomi Kromowijojo, schaatser Sven Kramer en nog tientallen andere (ex)topsporters.

Ook de schaakbond KNSB investeert in de jeugd. Via extra subsidie van de sportkoepel NOC*NSF worden door de bond vijf of zes trainingsstages op Papendal verzorgd. Dan zitten vier schakers (onder wie Schoppen) een dag of vijf, zes bij elkaar op Papendal en worden toptrainers ingevlogen. Ergens in maart vindt de eerste sessie plaats.

 

Geld

Ook in de schaaksport blijkt het voor opleidende verenigingen moeilijk te zijn om talenten vast te houden. Schoppen is weliswaar lid van de Utrechtse schaakvereniging Paul Keres, maar komt in de competitie uit voor het Leids Schaak Genootschap (LSG) in de meesterklasse. Hij speelt in het team met louter internationale meesters. Janse: ‘Daar is inderdaad wel geld mee gemoeid, maar voor deze jonge supertalenten gaat het om bescheiden reis-en onkostenvergoedingen.

Topspeler Anish Giri uit Rijswijk speelde een aantal jaren voor het Spakenburgse En Passant, maar de club heeft dit jaar afscheid van hem genomen omdat het inpassen van zo’n topspeler budgettair niet meer verantwoord is.’

Anders dan bij vele teamsporten is de invloed van nieuwe landgenoten bij de schaaksport niet of bijna niet te merken. ‘Klopt ‘, antwoordt Janse, ‘en eigenlijk is dat vreemd, want de schaaksport is een wereldwijde sport en niet typisch Nederlands. Uitzondering is wellicht de kleurrijke kapper Kasim Wandy uit de wijk Lombok, die uitkomt in het tweede team van Moira Domtoren. Wandy speelt graag een partijtje schaak met zijn klanten en/of bespreekt mogelijke oplossingen voor schaakproblemen tijdens het haarknippen.’

Komt er ooit een moment dat er geen nieuwe varianten meer ontstaan in de schaaksport? Janse denkt na en na enige aarzeling zegt hij : ‘Het zit er nu al heel dicht bij, maar helemaal uitgeanalyseerd raken, nee, ik denk dat er toch steeds weer nieuwe varianten zullen ontstaan. Weet je, een schaakbord heeft 64 velden met 8 horizontale en 8 verticale banen. Variaties en openingen lijken oneindig.’