St. Eloyen Gasthuis herbergt kolfbaan in centrum Utrecht

Overig nieuws Robert Jan van der Horst

Op 2 juni 1122 kreeg Utrecht stadsrechten van keizer Hendrik V, alweer 900 jaar geleden. Hoewel sport in die lange geschiedenis slechts een kleine rol is toebedeeld, willen we dit jubileum van de Domstad niet onopgemerkt voorbij laten gaan. We gingen kijken bij een van de oudste sportaccommodaties die ons land rijk is. Middenin de Utrechtse binnenstad.

Geen kassa. Geen tribunes. Geen glad geschoren grasveld. Geen lichtmasten. Niets daarvan is te zien aan de Boterstraat 22 in Utrecht. Maar achter de deur van dit monumentale pand in de binnenstad – nabij de Mariaplaats – is wel de oudste overdekte sportaccommodatie van de stad te vinden: Kolfclub Utrecht St. Eloyen Gasthuis. Een beeld van een ongemeen fraai interieur op een niet gedachte plek.

Op 2 juni bestaat Utrecht 900 jaar. Om preciezer te zijn: op 2 juni 1122 gaf keizer Hendrik V Utrecht stadsrechten. Een mijlpaal die in de Domstad gevierd wordt. Maar in het denkbeeldige gedenkboek is ongetwijfeld slechts plaats voor een flinterdunne pagina of enkele alinea over de sport door die negen eeuwen heen. Niet onlogisch, omdat er in die eerste zes eeuwen van dat bestaan over sport niet of nauwelijks wordt gerept. Als er al sprake was van sport, dan werd dat vaak spel genoemd.

Historie

Bestond sport eigenlijk wel tot 1700? In het Utrechts Archief vinden we de studie ‘Sport en Spel, lichamelijke oefening en training in de Utrechtsche studentenwereld gedurende de 17e eeuw’. Het artikel werd in 1936 gepubliceerd in ‘De Lichamelijke Opvoeding’, orgaan van de Vereeniging van leraren en onderwijzers van in de lichamelijk opvoeding in Nederland. Het is het oudste bestaande archiefstuk over het ontstaan van de sport in Utrecht.

In het Duitse Tübingen werd in 1589 op militaire academies schermen, paardrijden, dansen, worstelen en springen onderwezen. Voor de ontwikkeling van deze krijgslieden – voorbehouden aan mannen uit de betere kringen – in opleiding kon een gezonde geest in een gezond lichaam niet los van elkaar worden gezien. Een elitaire zaak dus, dat sport en spel in de 17e eeuw. Want van overheidswege werd uitsluitend voorzien in leerkrachten voor deze opleidingen. Op de volksscholen werden geen (gymnastiek)leraren aangesteld; daar moest ‘de jeugd door stoeien en ravotten en met eigen spel en vermaak zichzelf maar zien te redden en zich te ontwikkelen’. Over competitiesport wordt al helemaal niet gerept.

Kolven

Echter op 16 februari 1673 wordt in Utrecht gesproken over de aanleg van de Maliebaan ‘om te kunnen kolven (colven wordt ook gebruikt), kaatsen, clootschieten en maliën ter exercitie ende vermaeck van de borgers ende innewoonders’. Vooral het kolven slaat aan bij de burgers en de horecabedrijven van de stad. Die laatste groep – vooral herbergen – zien met de aanleg van kolfbanen een mooie kans de ‘klanten dicht bij huis’ te houden. De stad Utrecht telt dan naar schatting 33.500 inwoners. Op het hoogtepunt van deze volkssport in die jaren telt Utrecht binnen en buiten de singels 21 banen, waarvan tien overdekt.

Kolven is een individuele sport en wordt gespeeld met en bal en een stick (de kliek genaamd) op een baan met een harde, vlakke ondergrond. Vandaar dat het veel op het ijs werd gespeeld. Doel is om in zo min mogelijk slagen (ofwel klappen) een bepaald traject af te leggen. Gaandeweg maken de kolfbanen plaats voor biljarts die veel minder ruimte innemen. En er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat kolf een voorloper is van het hedendaagse golf.

2022

In Utrecht zijn nog twee kolfbanen te vinden. De mooiste is die in het St. Eloyen Gasthuis, inpandig gelegen, aan de Boterstraat. De andere is gesitueerd bij het Vechthuis aan het Jagerspad. Maar dat is niet de originele plek. Deze kolfbaan nabij de Rode Brug is een opbouw van de lang verloren gewaande kolfbaan bij herberg de Drie Dorstige Harten aan de Dorstige Hartsteeg. Die kwam in 1989  tevoorschijn tijdens graafwerkzaamheden vanwege nieuwbouw en is in oude luister – inclusief de ramen – bij het Vechthuis weer opgebouwd. Deze kolfbaan, met een afmeting van 5,6 x 21 meter en een door zeven eiken gebinten gedragen, uitkragende overkapping, was toen naar schatting twee eeuwen oud.

Kolfclub Utrecht St. Eloyen Gasthuis is niet voor publiek toegankelijk. Alleen de leden (broeders genaamd) van het Gasthuis mogen op de bijeenkomsten op de maandagavond kolven en/of schutjassen. (Zie ook het kader elders op deze pagina, red.)

Kolfclub Utrecht is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandsche Kolfbond en die is weer aangesloten bij de sportkoepel NOC*NSF. Ons land telt 16 kolfbanen, vooral gelegen in West-Friesland, en 28 verenigingen. Kolfclub Utrecht doet sinds jaar en dag niet mee met de competitie, maar huldigde in 1907 nog drie spelers die in Krommenie kampioen waren geworden.

De tekst loopt door onder de foto’s van Bart Weerdenburg

‘Het gebouw is van alle eeuwen’

Een kartel avant la lettre. Dat waren de gildes in en rond de Middeleeuwen. Organisaties dan wel broederschappen die sociale zekerheid boden aan de eigen leden en vaak ook zeer sociaal betrokken waren bij de burgers van een stad.

Het Smedengilde St. Eloy maakte daarop geen uitzondering. Eenmaal lid, dan werd je tot aan de dood verzorgd. Zoals in het St. Eloyen Gasthuis, dat zich uitstrekte van de Boterstraat tot aan de Alendorpstaat in het centrum van Utrecht.

Alle metaalwerkers konden lid worden van het Smedengilde St. Eloy. ‘Utrecht is grofweg van 1600 tot 1700 zelfs nog even de Europese hoofdstad van de vingerhoedindustrie geweest’, aldus Paul Broekema. Samen met Hans Schmidt (regent en voorzitter van Kolfclub Utrecht) zorgt Broekema (33 jaar bode ofwel conciërge bij St. Eloy: ‘zeg maar het personeel’) voor een hartelijke ontvangst op deze maandagavond (de zogenaamde werkavond) waar de leden (broeders) aan het schutjassen zijn en een enkeling zich op de kolfbaan waagt.

De Franse heilige Sint Eloy is de schutspatroon van de smeden, vandaar de naam. In 1430 werd het pand door het Gilde aangekocht, de regentenzaal in het pand dateert al van 1300.

En zo zijn er in de rijke historie van het gebouw meerdere aanpassingen dan wel renovaties geweest. ‘Het gebouw is van alle eeuwen’, zeggen Broekema en Schmidt dan ook met gepaste trots. ‘En het is mooi van deze geschiedenis deel uit te maken. Vandaag de dag zou je het Gilde, dat zo’n 65 leden telt, het best kunnen omschrijven als een ondernemerssociëteit.’

Met de komst van Napoleon rond 1800 werden de gildes verboden. Ze maakten plaats voor het Handelsbedrijf der Smeden, eigenlijk oude wijn in nieuwe zakken. De sociale betrokkenheid bleef. Er werd aan liefdadigheid gedaan van 1600 tot ongeveer 1925 middels brooduitdeling in de Buurtkerk. Ook werden er nog tot 1990 kerst- en paaspakketten uitgedeeld aan minderbedeelden in de stad.

De gildenbroeders van St. Eloy spelen sinds 1730 kolf op de baan van herberg De Hollandse Tuyn, sinds 1644 in het bezit van het Gilde (ook Gildt genaamd). Aanvankelijk in de open lucht, maar vanaf 1764 moet de baan overdekt zijn geweest. De panden van het Gasthuis aan de Alendorpstraat zijn inmiddels eigendom van woningbouwvereniging SSH.

Alleen op Open Monumentendag is het St. Eloyen Gasthuis voor publiek toegankelijk. Noteert u dus alvast het weekeinde van 10 en 11 september 2022 om deze parel aan de Utrechtse kroon te mogen bezoeken.