Wat levert het sportakkoord eigenlijk op?

Beleid Redactie

Sporten en bewegen is goed voor je gezondheid, je sociale contacten, je welzijn, je persoonlijke ontwikkeling en bovenal leuk om te doen. Niet voor niets sporten ruim 9,4 miljoen Nederlanders op wekelijkse basis. Sport is dan ook van grote persoonlijke, maatschappelijke en economische waarde. Vanwege dit belang moet er eigenlijk nóg meer gesport worden.

Op 29 juni 2018 heeft Bruno Bruins als minister van sport, samen met NOC*NSF en VSG/VNG, het nationaal sportakkoord ondertekend. Daarbij heeft hij alle gemeenten opgeroepen om een lokaal sportakkoord op te stellen in samenwerking met sportaanbieders, onderwijsinstanties, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het sportakkoord is erop gericht om sport zo leuk en toegankelijk mogelijk te maken voor álle Nederlanders, in álle levensfasen. Zo wordt de volledige potentie van sport en bewegen beter benut.

VWS doet ook boter bij de vis. Het investeert circa € 410 miljoen per jaar in sport gedurende de looptijd van dit sportakkoord. Daarvan zal € 241 miljoen per jaar besteed worden aan het compenseren van het nadeel dat gemeenten en de sport ondervinden als gevolg van het verruimen van de btw-sportvrijstelling per 1 januari 2019. Vanuit het totale budget wordt € 61 miljoen per jaar geoormerkt voor de buurtsportcoaches, € 10 miljoen per jaar wordt conform de afspraken in het regeerakkoord ingezet voor het versterken van bonden en vereniging, en in totaal € 10 miljoen per jaar voor sportevenementen. € 53 miljoen zal besteed worden aan topsport. De overige € 35 miljoen wordt ingezet voor maatregelen als benoemd in de deelakkoorden en voor de voortzetting van het huidige beleid.

De meeste lokale sportakkoorden zijn per 1 januari 2020 officieel in gang gezet. De einddatum ligt in januari 2023, dus zo ongeveer halverwege aangekomen kunnen we de balans voorzichtig opmaken. De vraag is wat het akkoord de gemeenten oplevert. Wat hebben ze er aan? We keken mee bij de drie grootste steden uit onze provincie: Utrecht, Amersfoort en Veenendaal. Elke stad heeft een eigen invulling gekozen, speerpunten geformuleerd en partners gezocht. Maar werkt het ook? En wat moet er anders de laatste helft van de looptijd? Deze week een verslag van onze rondgang bij de drie gemeenten.