Frank Backx, via korfbal en zaalvoetbal naar sportgeneeskunde: ‘Ik ben momenteel de enige professor in de sportgeneeskunde, maar binnenkort komt er een tweede bij in Groningen.’ Foto Ankie Hogewind/Utrechtse Sportkrant

‘Zo’n kolossale inspanning kost een jaar voorbereiding’

Atletiek Sportmedische tips Peter de Jong

In aanloop naar de Utrecht Science Park Marathon van 19 maart belicht de Utrechtse Sportkrant, mediapartner van het evenement, diverse aspecten van de loop. In deze aflevering aandacht voor het sportmedische vlak. Professor doctor Frank Backx (62), hoogleraar sportgeneeskunde aan de Universiteit van Utrecht en verbonden aan het Universitair Medisch Centrum (UMC) aan het woord over blessures, de sportarts, en natuurlijk, de marathon.

Heb je zelf eigenlijk fanatiek aan sport gedaan?

‘Ja, ik heb Hoofdklasse korfbal gespeeld bij het Utrechtse Samos (Samenwerking Alleen Maakt Ons Sterk, later gefuseerd met DVS tot het huidige Synergo, red.) in de periode 1975-1985. Maar dat ligt ver achter me hoor. Ik heb ook op het hoogste niveau gezaalvoetbald, onder andere bij de USVF (Utrechtse Studenten Voetbal Federatie), Telkamp Sport en in de All Stars met Leo van Veen en Gerald Vanenburg. Die laatste speelde toen nog bij Ajax. Hij heeft nog op zijn donder gehad want hij mocht toen helemaal niet in de zaal spelen.’

‘Tegenwoordig loop ik twee keer in de week om in conditie te blijven. Contactsporten doe ik niet meer, is veel te riskant op mijn leeftijd. De teamsporten, of het nu met de hand of de voet wordt gespeeld, zitten in de top-5 van de blessureranglijst. Op nummer 1 staat zaalvoetbal. Voornamelijk zijn dat mannen die de bewegingen van twintig-dertig jaar terug nog in hun hoofd hebben en zonder warming up de zaal ingaan. Tel daarbij nog eens het letsel op dat ze eerder in hun carrière hebben opgelopen en een nieuwe blessure is dichtbij.’

‘Je ziet ook dat sportbonden, gekenmerkt als  risicosport, hun best doen om oudere leden te behouden. Voetbal kent inmiddels ‘walking soccer’ in de zaal en op het veld, met minder mensen, een kleiner veld en een lichtere bal, daar mag je niet eens hardlopen. Je hebt ook knotshockey, zelfde verhaal. Als mensen ouder worden gaat ze vaak over tot de ‘low risk-sporten’, zoals hardlopen, toerfietsen en golf. Daar heb je veel minder acute trauma’s. Alleen bij fietsen wil de wielrenner nog wel eens vallen, vaak op de schouders. Dan krijg je vaak een sleutelbeenbreuk, want dat sleutelbeen verbindt de borstkas met de arm. Maar dat gebeurt niet alleen bij fietsen hoor, het is ook Robbin Ruiter, de keeper van FC Utrecht, recent overkomen.’

 

Je bent ook professor bij de Universiteit van Utrecht, in de sportgeneeskunde. Hoe is dat zo gekomen?

‘Eerst ben ik gepromoveerd op een proefschrift over sportblessures bij jeugdigen, in 1991. Vervolgens blijf je stug doorwerken aan maatschappelijk relevante onderzoeken en publiceer je daarover. De universiteit kijkt vervolgens naar de kwaliteit van het werk, de kwantiteit, of je genoeg geld binnenhaalt, of je adequaat kunt communiceren en ten slotte kijken ze naar je leidinggevende kwaliteiten. Op een gegeven moment word je dan voorgedragen tot hoogleraar. Ik ben momenteel de enige in de sportgeneeskunde, maar binnenkort komt er een tweede bij in Groningen.’

‘Als hoogleraar geef ik colleges, draai spreekuren en begeleid ik ook mijn eigen promovendi. De meeste onderzoeken die ik de laatste tien jaar heb gedaan gingen over voetbal. Ik werk nauw samen met de KNVB. We hebben lies- en hamstringblessures bij voetbal onderzocht. En we hebben nu een onderzoek lopen bij meisjesvoetbal, waar verhoudingsgewijs veel enkelblessures voorkomen. Meisjes zijn over het algemeen leniger dan jongens, hebben slappere enkelbanden en te weinig spierkracht om dat op te vangen. We doen nu een interventiestudie waarbij 350 meisjes nieuw ontworpen enkelbraces krijgen tijdens het voetbal en 350 meisjes niet. Dat volgen we dan een jaar lang om te kijken of zo’n brace echt effect heeft op het voorkomen van enkelblessures.’

 

Begeleiden jullie ook topsporters?

‘Wij leveren twee dokters aan FC Utrecht, die daar hun eigen behandelruimtes hebben. We zien hier ook waterpoloërs van UZSC en we werken samen met de hockeybond. Dafne Schipppers of Jesse Puts niet, nee. Die hebben hun eigen bondsarts. Maar als die het niet vertrouwt, dan kunnen de sporters natuurlijk altijd hier komen voor een second opinion.’

 

Wat is het onderscheid met reguliere geneeskunde? Als ik een knieblessure heb, wat is dan het verschil tussen een bezoek aan de sportarts en een willekeurige orthopeed in een ziekenhuis?

‘Een reguliere orthopeed weet veel van het houdings- en bewegingsapparaat, maar bij hem/haar is het vaak snijden of niet-snijden. Een orthopeed kijkt of een operatie de blessure kan oplossen. Hij is vaak gespecialiseerd in een soort gewricht: schouders, knieën, of heupen. Een sportarts kijkt meer naar de hele bewegingsketen en is meer gespecialiseerd in de weke delen, niet de botten maar de spieren en pezen, en in zaken die zeg maar langzaam ontstaan, door overbelasting.’

‘Wij hebben hier in het UMC een multidisciplinair spreekuur waarin een fysiotherapeut, reumatoloog, orthopeed en sportarts samenwerken. We kijken van tevoren in goed overleg welke specialiteit het best past bij de klachten van de patiënt. Sportartsen behandelen sporters met problemen die je niet 1-2-3 op röntgenfoto’s kunt detecteren. Chronische klachten aan je spieren of pezen vraagt om een gedegen onderzoek; een goede anamnese (ziektegeschiedenis red.).’

‘En verder doen we vaak zogenaamde provocatietesten, want chronische overbelastingblessures zie je meestal helemaal niet aan de buitenkant, zoals bij een acuut ongeval. We proberen de kwetsuur een beetje op te wekken door de sporter bepaalde bewegingen te laten maken. Zo kijken we hoe de blessure kan zijn ontstaan. Dat kan door een zwakke enkel, door slecht schoeisel en/of een te harde of oneffen ondergrond.’

‘We checken ook of mensen wel goed slapen, want tijdens de slaap herstel je. En dan heb je natuurlijk nog het te veel en te hard trainen. Bij de marathon zie je dat mensen kort tevoren ineens hun trainingsarbeid gaan verhogen. Dan is de kans op blessures veel groter, ‘too much too soon’ noemen we dat.’

‘Sportgeneeskunde zit als vakgebied enorm in de lift, zeker nu we vanaf 2016 ook in het basispakket zijn opgenomen van de ziektekostenverzekering. Huisartsen verwijzen steeds meer naar ons door, want die zien wel dat wij een rol hebben in met name de blessures aan het houdings- en bewegingsapparaat van chronische aard. Veertig procent van alle blessures aan het bewegingsapparaat zijn van chronische aard, of zijn restklachten na acute letsels.’

 

Wat voor patiënten zie je hier?

Van alles. Je hebt de zogenoemde ‘couch potatoe’, de inactieve mens, die van plan is te gaan sporten. Dat is heel goed, want de meeste gezondheidswinst wordt geboekt als je van inactief naar een actieve leefstijl of recreatief sporten gaat. Naarmate je meer gaat sporten neemt de kans op blessures door overbelasting toe. Dat gebeurt bij topsporters, maar ook bij mensen die naast hun werk of studie flink sporten. Wij zien ook mensen met aandoeningen zoals hoge bloeddruk, suikerziekte of kanker. Die geven we dan een trainingsprogramma waarin we proberen de mensen zo fit mogelijk te maken. Sporten is goed voor zieke mensen, het werkt ook mentaal. Van, hé, ik kan meer presteren dan ik zelf dacht.‘

 

Wat is jouw rol bij de marathon?

‘De organisator van de marathon, Arjen de Ruyter, kwam twee jaar geleden bij me en vroeg of we iets voor elkaar konden betekenen. Het UMC waar ik werk, is niet alleen de grootste werkgever van Midden-Nederland, er lopen ook heel veel mensen van het UMC mee met de marathon. Wij geven de lopers op weg naar de marathon tips via de website utrechtmarathon.com.’

‘Begin november hebben we voor de mensen die zich hadden ingeschreven voor de marathon een voorlichtingssymposium gehouden. Daar hebben we onze onderzoeksresultaten besproken en onze nationale recordhouder op de marathon, Kamiel Maase, is langs geweest om wat tips te geven. Verder sprak een voedingsdeskundige over het nut van voedingssupplementen. Een dag of tien voor de marathon sturen wij de lopers een berichtje waarin we de lopers, die de afgelopen maand een ontsteking hebben gehad met koorts, afraden te lopen. Dat is gebaseerd op een onderzoek van een collega uit Zuid-Afrika naar plotselinge dood bij grote fysieke inspanningen. De mensen die overleden tijdens of na de inspanning, hadden vaak de maand voor de grote inspanning allerlei problemen gehad, waaronder koorts en niet geheel genezen ziektes.’

‘Aan de andere kant vragen wij de lopers of zij mee willen doen aan een wetenschappelijk onderzoek. Wij willen weten welke factoren een rol spelen bij het willen lopen en de daadwerkelijke deelname. Een heleboel mensen die in september het voornemen hebben om mee te gaan lopen in maart komen niet eens aan de start. Wij willen weten waarom. Bijvoorbeeld omdat ze zijn verhuisd, ziek zijn of een blessure hebben.’

‘Van de respondenten die wel gaan lopen, willen we weten of ze de marathon ook uitlopen. Welke factoren dragen daartoe bij? We zenden mensen steeds vragenlijsten toe om er achter te komen welke factoren bijdragen aan een succesvolle deelname. In 2016 zijn we begonnen met een onderzoek bij 170 mensen. Dit jaar doen we vervolgonderzoek. Ongeveer een kwart gaat helemaal niet lopen.’

‘Daarnaast zijn er de nodige blessures. Mensen die kort voor de marathon pas gaan trainen, lopen de grootste kans op blessures. En verder lopers met een blessure- of ziekteverleden en mensen die een heel drukke baan hebben en te weinig herstelmomenten inbouwen. Dan moet je je afvragen of het verstandig is een hele of halve marathon te lopen, of het niet beter is om bijvoorbeeld de 10 kilometer te lopen. Maar heel veel mensen willen een pr lopen of hebben gewed met vrienden dat ze de (halve) marathon uitlopen.’

 

Welke blessures lopen marathonlopers zoal op?

‘De meeste hardloopblessures zitten aan het been, in het bijzonder de knie, enkel en voet. Maar ook hamstring- en scheenbeenklachten komen regelmatig voor. Hartproblemen, zoals benauwdheid of pijn op de borst komen we bijna niet tegen. Als dat wel het geval is moet je dat uiteraard serieus nemen, dat kan de voorbode zijn van een hartinfarct. Bij marathons komt het heel af en toe tot een plotse dode. Als mensen twijfelen kunnen ze bij ons een preventief sportmedisch onderzoek aanvragen. Daarbij ga je tot een maximum op de lopende band en wordt er continu een hartfilmpje gemaakt. Als we dat filmpje niet vertrouwen dan nemen we meteen contact op met de sportcardioloog.’

 

Is een marathon eigenlijk wel gezond?

‘Ha, daar kun je een hele boom over opzetten. Vooral boven de 30 kilometer speelt het duuruithoudingsvermogen een cruciale rol. De skeletspieren krijgen de grootste opdonder bij een marathon. Het kan voorkomen dat spiervezels als afvalstof in de bloedbaan komen en de loper na de wedstrijd bloed plast. Je moet dus goed getraind zijn.’

‘Ook het weer speelt een belangrijke rol. In 2005 was het te warm bij de IJsselsteinloop, daar vielen toen twee doden. Een 50plusser moet zich afvragen of hij nog wel een hele marathon moet lopen. Is een halve niet voldoende? We hebben hier in het UMC een studie gedaan onder een groep van driehonderd 45-plussers die geen klachten hadden en intensief sportten. Daar kwam uit dat twintig procent, zonder dat ze het weten, problemen heeft met de hartspier of een behoorlijke vernauwing van de kransslagader. Het kan erfelijk zijn, ook al ben je zelf sportief. Allemaal redenen om je periodiek te laten onderzoeken op een sportmedisch adviesbureau.’

 

Wat kun jij de lezers van de Utrechtse Sportkrant die mee willen doen aan de Utrecht Science Park Marathon, aanraden?

‘Als je besluit voor het eerst een marathon te gaan lopen, kost je dat een jaar voorbereiding om je te laten wennen aan die kolossale inspanning. Iemand die de halve marathon loopt moet tevoren ook al eens een kilometer of 18, 19 hebben gelopen. Dan neem je daarna weer wat gas terug, de ‘tapering off’, om op de marathon op je best te zijn. Als je meer gaat lopen, harder, met een grotere paslengte, dan ga je ook veel meer eisen van het lichaam. Daarom moet je gedoseerd trainen, het liefst onder goede begeleiding van een atletiektrainer. Sluit je aan bij een loopgroepje en zorg dat je optimaal loopschoeisel draagt.’

 

 

Lees hier ook over de andere artikelen in de reeks Utrecht Science Park Marathon.